Vervolgvragen over gebruik onwaarschijnlijk klimaatscenario

Gepubliceerd op 27 augustus 2026

Henk Vermeer: “Kabinet moet onderbouwen waarom extreem scenario nog steeds wordt gebruikt”

BBB-fractievoorzitter Henk Vermeer stelt opnieuw Kamervragen over het gebruik van het hoge emissiescenario SSP5-8.5 door het KNMI. Aanleiding zijn de antwoorden van het kabinet op eerdere vragen van BBB over dit scenario. Daarin erkent het kabinet dat SSP5-8.5 steeds onwaarschijnlijker is geworden, maar wordt het scenario nog wel gebruikt om een worstcasesituatie voor klimaatverandering in beeld te brengen.

Lees hier de eerdere vragen en de antwoorden van de minister

Vermeer wil daarom weten waarom het KNMI dit scenario nog steeds gebruikt en op welke wetenschappelijke onderzoeken en berekeningen dat is gebaseerd. Ook vraagt hij het kabinet hoe waarschijnlijk het daadwerkelijk is dat bij veel lagere emissies toch de hoge opwarming en zeespiegelstijging uit het hoge KNMI’23-klimaatscenario kunnen optreden.

“Als het kabinet erkent dat een emissiescenario steeds onwaarschijnlijker is geworden, moet het helder kunnen uitleggen waarom dat scenario nog steeds een rol speelt in de berekening van klimaatrisico’s,” aldus Vermeer. “We willen weten hoe sterk de wetenschappelijke onderbouwing daarvoor is en hoe waarschijnlijk deze extreme uitkomsten daadwerkelijk worden geacht.”

Daarnaast vraagt BBB opnieuw aandacht voor de doorwerking van hoge klimaatscenario’s in Nederlands beleid en publieke investeringen. Vermeer wil onder meer weten hoe RCP8.5 in het verleden door het KNMI en PBL werd gekwalificeerd en vraagt opnieuw om inzicht in concrete projecten waarbij RCP8.5, SSP5-8.5 of daarop gebaseerde hoge klimaatscenario’s een rol hebben gespeeld.

“Het gaat niet alleen om de wetenschappelijke discussie, maar ook om de gevolgen voor beleid en investeringen,” zegt Vermeer. “Als deze scenario’s zijn gebruikt bij concrete projecten, moet voor de Kamer inzichtelijk zijn waar dat is gebeurd en welke invloed ze op besluiten hebben gehad.”

Vervolgvragen van het lid Vermeer (BBB) aan de Ministers van Klimaat en Groene Groei en van Infrastructuur over het “antwoord op vragen het lid Vermeer over het artikel ‘IPCC schrapt rampscenario: opwarming hooguit nog ‘maar’ 3,5 graden in 2100’” van 17 juli 2026:

  1. In uw antwoord op vraag 2 geeft u aan dat het KNMI voor de KNMI’23-klimaatscenario’s gebruik heeft gemaakt van het hoge emissiescenario SSP5-8.5 om een worstcasescenario voor de effecten van klimaatverandering af te leiden. Tegelijkertijd erkent u dat nationaal en internationaal al langere tijd wordt gewaarschuwd dat RCP8.5/SSP5-8.5 als emissiescenario steeds onwaarschijnlijker is geworden. Begrijp ik uw antwoord goed dat het KNMI SSP5-8.5 desondanks nog steeds gebruikt als basis voor het hoge klimaatscenario? Zo ja, waarom acht u dat nog steeds verantwoord?
  2. U stelt daarnaast dat een vergelijkbaar hoog klimaatscenario ook bij lagere emissies mogelijk is, bijvoorbeeld als het klimaat gevoeliger reageert op een toename van broeikasgassen dan gedacht of als terugkoppelingen in de koolstofcyclus sterker blijken te zijn. Kunt u aangeven op welke wetenschappelijke literatuur het KNMI deze aanname baseert en deze literatuur met de Kamer delen?
  3. Klopt het dat het KNMI momenteel onderzoekt of ook bij aanzienlijk lagere emissies dan in SSP5-8.5 een opwarming en zeespiegelstijging mogelijk zijn die vergelijkbaar zijn met het hoge KNMI’23-scenario? Zo ja, op welke wetenschappelijke onderbouwing en aannames zijn deze berekeningen gebaseerd en hoe waarschijnlijk acht het KNMI een dergelijke uitkomst?
  4. In uw antwoord op vraag 2 wordt het gebruik van RCP8.5/SSP5-8.5 omschreven als een worstcasescenario. In de ‘KNMI-klimaatscenario’s 2023’ wordt wel aangegeven dat de hoge uitstoot die bij dit scenario hoort steeds minder waarschijnlijk is, maar wordt RCP8.5 volgens de aangehaalde passage niet expliciet als ‘worst case’ aangeduid. Klopt het dat RCP8.5 door het KNMI en het PBL in 2014 wel als een business-as-usualscenario is gebruikt of gepresenteerd? Zo ja, wanneer en op basis van welke nieuwe inzichten is de kwalificatie van dit scenario veranderd van business as usual naar worst case? Zo nee, kunt u toelichten hoe RCP8.5 destijds wel werd gekwalificeerd?
  5. In vraag 26 heb ik gevraagd om een eerste inventarisatie van projecten in Nederland die zijn gebaseerd op RCP8.5 en/of SSP5-8.5, zodat inzichtelijk wordt hoe deze scenario’s hebben doorgewerkt in de samenleving. U antwoordt dat u daarvoor onvoldoende aanleiding ziet en verwijst naar de Kamerbrief ‘KNMI’23-klimaatscenario’s en doorwerking in Rijksbeleid’ van 8 mei 2024. Klopt het dat deze Kamerbrief RCP8.5 en SSP5-8.5 niet expliciet noemt, maar wel laat zien dat hoge klimaatscenario’s doorwerken in verschillende strategische investeringen en beleidsprogramma’s van de overheid? Deelt u daarom de conclusie dat scenario’s uit deze hoge-emissiefamilie een brede doorwerking hebben gehad in het Nederlandse overheidsbeleid? Zo nee, waarom niet?
  6. De door u genoemde Kamerbrief van minister Harbers laat zien dat de beleidsmatige van de KNMI-klimaatscenario’s groot is, maar bevat geen volledige inventarisatie van de concrete projecten waarin RCP8.5, SSP5-8.5 of daarop gebaseerde hoge klimaatscenario’s zijn gebruikt. Kunt u daarom alsnog de gevraagde projectlijsten aan de Kamer toesturen, waaronder voor zover beschikbaar die van Rijkswaterstaat, Deltares, ProRail, het IPO, de Unie van Waterschappen en de provincies? Kunt u daarbij per project aangeven welk klimaatscenario is gebruikt en, voor zover bekend, in hoeverre het hoge scenario bepalend is geweest voor het ontwerp, de uitvoering of de omvang van de investering?

Deel dit artikel

ANP-496326544-dijk-LR

Vervolgvragen over gebruik onwaarschijnlijk klimaatscenario

ANP-496326544-dijk-LR

Henk Vermeer: “Kabinet moet onderbouwen waarom extreem scenario nog steeds wordt gebruikt”

BBB-fractievoorzitter Henk Vermeer stelt opnieuw Kamervragen over het gebruik van het hoge emissiescenario SSP5-8.5 door het KNMI. Aanleiding zijn de antwoorden van het kabinet op eerdere vragen van BBB over dit scenario. Daarin erkent het kabinet dat SSP5-8.5 steeds onwaarschijnlijker is geworden, maar wordt het scenario nog wel gebruikt om een worstcasesituatie voor klimaatverandering in beeld te brengen.

Lees hier de eerdere vragen en de antwoorden van de minister

Vermeer wil daarom weten waarom het KNMI dit scenario nog steeds gebruikt en op welke wetenschappelijke onderzoeken en berekeningen dat is gebaseerd. Ook vraagt hij het kabinet hoe waarschijnlijk het daadwerkelijk is dat bij veel lagere emissies toch de hoge opwarming en zeespiegelstijging uit het hoge KNMI’23-klimaatscenario kunnen optreden.

“Als het kabinet erkent dat een emissiescenario steeds onwaarschijnlijker is geworden, moet het helder kunnen uitleggen waarom dat scenario nog steeds een rol speelt in de berekening van klimaatrisico’s,” aldus Vermeer. “We willen weten hoe sterk de wetenschappelijke onderbouwing daarvoor is en hoe waarschijnlijk deze extreme uitkomsten daadwerkelijk worden geacht.”

Daarnaast vraagt BBB opnieuw aandacht voor de doorwerking van hoge klimaatscenario’s in Nederlands beleid en publieke investeringen. Vermeer wil onder meer weten hoe RCP8.5 in het verleden door het KNMI en PBL werd gekwalificeerd en vraagt opnieuw om inzicht in concrete projecten waarbij RCP8.5, SSP5-8.5 of daarop gebaseerde hoge klimaatscenario’s een rol hebben gespeeld.

“Het gaat niet alleen om de wetenschappelijke discussie, maar ook om de gevolgen voor beleid en investeringen,” zegt Vermeer. “Als deze scenario’s zijn gebruikt bij concrete projecten, moet voor de Kamer inzichtelijk zijn waar dat is gebeurd en welke invloed ze op besluiten hebben gehad.”

Vervolgvragen van het lid Vermeer (BBB) aan de Ministers van Klimaat en Groene Groei en van Infrastructuur over het “antwoord op vragen het lid Vermeer over het artikel ‘IPCC schrapt rampscenario: opwarming hooguit nog ‘maar’ 3,5 graden in 2100’” van 17 juli 2026:

  1. In uw antwoord op vraag 2 geeft u aan dat het KNMI voor de KNMI’23-klimaatscenario’s gebruik heeft gemaakt van het hoge emissiescenario SSP5-8.5 om een worstcasescenario voor de effecten van klimaatverandering af te leiden. Tegelijkertijd erkent u dat nationaal en internationaal al langere tijd wordt gewaarschuwd dat RCP8.5/SSP5-8.5 als emissiescenario steeds onwaarschijnlijker is geworden. Begrijp ik uw antwoord goed dat het KNMI SSP5-8.5 desondanks nog steeds gebruikt als basis voor het hoge klimaatscenario? Zo ja, waarom acht u dat nog steeds verantwoord?
  2. U stelt daarnaast dat een vergelijkbaar hoog klimaatscenario ook bij lagere emissies mogelijk is, bijvoorbeeld als het klimaat gevoeliger reageert op een toename van broeikasgassen dan gedacht of als terugkoppelingen in de koolstofcyclus sterker blijken te zijn. Kunt u aangeven op welke wetenschappelijke literatuur het KNMI deze aanname baseert en deze literatuur met de Kamer delen?
  3. Klopt het dat het KNMI momenteel onderzoekt of ook bij aanzienlijk lagere emissies dan in SSP5-8.5 een opwarming en zeespiegelstijging mogelijk zijn die vergelijkbaar zijn met het hoge KNMI’23-scenario? Zo ja, op welke wetenschappelijke onderbouwing en aannames zijn deze berekeningen gebaseerd en hoe waarschijnlijk acht het KNMI een dergelijke uitkomst?
  4. In uw antwoord op vraag 2 wordt het gebruik van RCP8.5/SSP5-8.5 omschreven als een worstcasescenario. In de ‘KNMI-klimaatscenario’s 2023’ wordt wel aangegeven dat de hoge uitstoot die bij dit scenario hoort steeds minder waarschijnlijk is, maar wordt RCP8.5 volgens de aangehaalde passage niet expliciet als ‘worst case’ aangeduid. Klopt het dat RCP8.5 door het KNMI en het PBL in 2014 wel als een business-as-usualscenario is gebruikt of gepresenteerd? Zo ja, wanneer en op basis van welke nieuwe inzichten is de kwalificatie van dit scenario veranderd van business as usual naar worst case? Zo nee, kunt u toelichten hoe RCP8.5 destijds wel werd gekwalificeerd?
  5. In vraag 26 heb ik gevraagd om een eerste inventarisatie van projecten in Nederland die zijn gebaseerd op RCP8.5 en/of SSP5-8.5, zodat inzichtelijk wordt hoe deze scenario’s hebben doorgewerkt in de samenleving. U antwoordt dat u daarvoor onvoldoende aanleiding ziet en verwijst naar de Kamerbrief ‘KNMI’23-klimaatscenario’s en doorwerking in Rijksbeleid’ van 8 mei 2024. Klopt het dat deze Kamerbrief RCP8.5 en SSP5-8.5 niet expliciet noemt, maar wel laat zien dat hoge klimaatscenario’s doorwerken in verschillende strategische investeringen en beleidsprogramma’s van de overheid? Deelt u daarom de conclusie dat scenario’s uit deze hoge-emissiefamilie een brede doorwerking hebben gehad in het Nederlandse overheidsbeleid? Zo nee, waarom niet?
  6. De door u genoemde Kamerbrief van minister Harbers laat zien dat de beleidsmatige van de KNMI-klimaatscenario’s groot is, maar bevat geen volledige inventarisatie van de concrete projecten waarin RCP8.5, SSP5-8.5 of daarop gebaseerde hoge klimaatscenario’s zijn gebruikt. Kunt u daarom alsnog de gevraagde projectlijsten aan de Kamer toesturen, waaronder voor zover beschikbaar die van Rijkswaterstaat, Deltares, ProRail, het IPO, de Unie van Waterschappen en de provincies? Kunt u daarbij per project aangeven welk klimaatscenario is gebruikt en, voor zover bekend, in hoeverre het hoge scenario bepalend is geweest voor het ontwerp, de uitvoering of de omvang van de investering?

Deel dit artikel