Kamervragen over fouten bij RVO en onduidelijke regels rond Woo-verzoeken

Gepubliceerd op 30 april 2026

De BBB-fractie heeft Kamervragen gesteld na berichten dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) tienduizenden onjuiste brieven heeft verstuurd over bezwaarprocedures bij Woo-verzoeken.

Uit signalen blijkt dat mensen in sommige gevallen geen bezwaar konden maken tegen het openbaar maken van hun gegevens, maar meteen in een rechtszaak terechtkwamen. Daarbij kregen zij soms maar een paar dagen de tijd om te reageren. Dat is opvallend, omdat een gang naar de rechter juist meer tijd, kennis en geld vraagt dan een normaal bezwaar.

De BBB maakt zich zorgen over deze werkwijze. “Mensen moeten kunnen vertrouwen op een overheid die duidelijk is en zorgvuldig handelt. Dat is hier niet gebeurd,” zegt Caroline van der Plas.

Ook zet BBB vraagtekens bij hoe het nu geregeld is als mensen bezwaar maken. Op dit moment wordt het openbaar maken van gegevens niet automatisch stilgezet als iemand bezwaar maakt. Dat betekent dat mensen vaak snel naar de rechter moeten om te voorkomen dat hun gegevens al openbaar worden. Daarvoor moeten ze extra kosten maken, terwijl dat misschien helemaal niet nodig zou zijn als de overheid het proces anders inricht.

BBB wil dat de minister duidelijkheid geeft over de gemaakte fouten, de gevolgen voor betrokkenen en hoe dit in de toekomst beter kan. Ook vragen we, samen met de SGP, hoe deze gang van zaken past bij het streven naar een betrouwbare en menselijke overheid.

Vragen van de leden Van der Plas en Flach aan de minister van Justitie en Veiligheid over de afhandeling van Woo-verzoeken en de rechtsbescherming van betrokkenen

  1. Bent u bekend met het artikel ‘RVO stuurt 55.000 foute brieven over bezwaar, snel reageren nodig’ (Boerderij 28 april 2026)?
  2. Kunt u specifiek voor Woo-verzoek Woo/2023/066 toelichten waarom voor betrokkenen geen mogelijkheid tot het indienen van bezwaar tegen openbaarmaking is geboden? Op basis van welke wettelijke grondslag is ervoor gekozen om de reactie van betrokkene direct als beroep aan te merken en waarom is betrokkene hierbij geen expliciete keuze gelaten tussen bezwaar en beroep?
  3. Klopt het dat in het kader van Woo-verzoek Woo/2023/066 eerder is aangegeven dat de gevraagde informatie (gedeeltelijk) niet openbaar zou worden gemaakt, maar dat op een later moment alsnog is besloten tot openbaarmaking? Zo ja, kunt u toelichten wat de reden is geweest voor deze wijziging van inzicht en kunt u de communicatie daarover binnen RVO openbaar maken (inclusief het bezwaarschrift van de aanvrager van het WOO-verzoek)?
  4. Hoe kan het dat RVO 55.000 onjuiste brieven over bezwaar heeft verstuurd, welke concrete fout(en) in het systeem of proces liggen hieraan ten grondslag?
  5. Deelt u de opvatting dat het indienen van beroep bij de rechtbank wezenlijk verschilt van het maken van bezwaar, onder meer omdat beroep minder laagdrempelig is, hogere eisen stelt aan motivering en doorgaans meer tijd, geld en juridische kennis vergt van betrokkenen? Zo nee, waarom niet?
  6. Deelt u de opvatting dat van betrokkenen in redelijkheid niet kan worden verwacht dat zij binnen dezelfde termijn en zonder duidelijke keuze direct een beroep bij de rechtbank instellen, terwijl zij mogelijk in de veronderstelling zijn dat zij bezwaar maken?
  7. Deelt u de opvatting dat betrokkenen in hun rechtspositie zijn benadeeld doordat, na het constateren van een fout, de termijn niet is verlengd en zij nog slechts enkele dagen (circa zes dagen) hadden om zich voor te bereiden op een gerechtelijke procedure? Zo nee, waarom niet?
  8. Staat de korte periode van herstel in verhouding met de termijnen die de overheid zelf hanteert? Zo ja, kunt u dat onderbouwen?
  9. Acht u het in het kader van zorgvuldige besluitvorming wenselijk dat betrokkenen in een situatie zoals bij Woo-verzoek Woo/2023/066 niet expliciet zijn gewezen op het verschil tussen bezwaar en beroep en de gevolgen daarvan, waaronder griffierechten en procedurele vereisten?
  10. Waarom is er in dit geval niet voor gekozen om, na constatering van de onduidelijkheid, de termijnen aan te passen en betrokkenen opnieuw en duidelijk te informeren over hun rechtspositie en de mogelijkheid om, desgewenst, beroep in te stellen?
  11. Deelt u de opvatting dat het, gelet op de impact van openbaarmaking van persoonsgegevens en de rechtspositie van betrokkenen, zorgvuldiger was geweest om betrokkenen een nieuwe termijn te bieden en hen expliciet de keuze te geven om beroep in te stellen? Zo nee, waarom niet?
  12. Hoe kan het dat bij een uitvoeringsorganisatie als RVO, die zoveel cruciale data en besluiten verwerkt, dit soort grootschalige fouten niet eerder (lees voor het versturen van de betreffende brief) worden gesignaleerd?
  13. In het regeerakkoord spreekt u over “een betrouwbare en menselijke overheid. De overheid en de politiek kunnen meer doen om vertrouwen te vergroten, door een menselijk gezicht en een overheid die zich transparant opstelt”, hoe past dit voorbeeld in het streven naar een betrouwbare en menselijke overheid?
  14. Waarom heeft een bezwaar tegen openbaarmaking in het kader van de Woo geen opschortende werking, waardoor betrokkenen genoodzaakt zijn een voorlopige voorziening aan te vragen om openbaarmaking te voorkomen?
  15. Kunt u aangeven hoe vaak een verzoek tot een voorlopige voorziening (vovo) in dit soort zaken níet wordt toegewezen? Klopt het beeld dat deze in de praktijk vrijwel altijd worden toegekend?
  16. Deelt u de opvatting dat het verplicht moeten aanvragen van een voorlopige voorziening leidt tot onnodige belasting van zowel betrokkenen als de rechtspraak, terwijl het doel (het tijdelijk opschorten van openbaarmaking) ook op een eenvoudiger manier bereikt zou kunnen worden?
  17. Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om bij bezwaar tegen openbaarmaking standaard een opschortende werking toe te passen, zodat het aanvragen van een voorlopige voorziening niet langer nodig is? Zo nee, waarom niet?
  18. Hoe verhoudt deze werkwijze zich tot de eerder aangenomen motie van Van der Plas over openbaarmaking van een Woo-besluit automatisch opschorten als er bezwaar is ingediend (Kamerstuk 32802-114) die juist beoogt de rechtsbescherming van burgers te versterken en onnodige juridische procedures te voorkomen?
  19. Hoe staat het met de uitvoering van de motie van Van der Plas (Kamerstuk 32802-111), waarin wordt verzocht om een onafhankelijk onderzoek naar de sociale veiligheid van agrariërs in Nederland? Is dit onderzoek inmiddels gestart of afgerond? Zo ja, wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?

Deel dit artikel

ANP-556570579-CP-LR

Kamervragen over fouten bij RVO en onduidelijke regels rond Woo-verzoeken

ANP-556570579-CP-LR

De BBB-fractie heeft Kamervragen gesteld na berichten dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) tienduizenden onjuiste brieven heeft verstuurd over bezwaarprocedures bij Woo-verzoeken.

Uit signalen blijkt dat mensen in sommige gevallen geen bezwaar konden maken tegen het openbaar maken van hun gegevens, maar meteen in een rechtszaak terechtkwamen. Daarbij kregen zij soms maar een paar dagen de tijd om te reageren. Dat is opvallend, omdat een gang naar de rechter juist meer tijd, kennis en geld vraagt dan een normaal bezwaar.

De BBB maakt zich zorgen over deze werkwijze. “Mensen moeten kunnen vertrouwen op een overheid die duidelijk is en zorgvuldig handelt. Dat is hier niet gebeurd,” zegt Caroline van der Plas.

Ook zet BBB vraagtekens bij hoe het nu geregeld is als mensen bezwaar maken. Op dit moment wordt het openbaar maken van gegevens niet automatisch stilgezet als iemand bezwaar maakt. Dat betekent dat mensen vaak snel naar de rechter moeten om te voorkomen dat hun gegevens al openbaar worden. Daarvoor moeten ze extra kosten maken, terwijl dat misschien helemaal niet nodig zou zijn als de overheid het proces anders inricht.

BBB wil dat de minister duidelijkheid geeft over de gemaakte fouten, de gevolgen voor betrokkenen en hoe dit in de toekomst beter kan. Ook vragen we, samen met de SGP, hoe deze gang van zaken past bij het streven naar een betrouwbare en menselijke overheid.

Vragen van de leden Van der Plas en Flach aan de minister van Justitie en Veiligheid over de afhandeling van Woo-verzoeken en de rechtsbescherming van betrokkenen

  1. Bent u bekend met het artikel ‘RVO stuurt 55.000 foute brieven over bezwaar, snel reageren nodig’ (Boerderij 28 april 2026)?
  2. Kunt u specifiek voor Woo-verzoek Woo/2023/066 toelichten waarom voor betrokkenen geen mogelijkheid tot het indienen van bezwaar tegen openbaarmaking is geboden? Op basis van welke wettelijke grondslag is ervoor gekozen om de reactie van betrokkene direct als beroep aan te merken en waarom is betrokkene hierbij geen expliciete keuze gelaten tussen bezwaar en beroep?
  3. Klopt het dat in het kader van Woo-verzoek Woo/2023/066 eerder is aangegeven dat de gevraagde informatie (gedeeltelijk) niet openbaar zou worden gemaakt, maar dat op een later moment alsnog is besloten tot openbaarmaking? Zo ja, kunt u toelichten wat de reden is geweest voor deze wijziging van inzicht en kunt u de communicatie daarover binnen RVO openbaar maken (inclusief het bezwaarschrift van de aanvrager van het WOO-verzoek)?
  4. Hoe kan het dat RVO 55.000 onjuiste brieven over bezwaar heeft verstuurd, welke concrete fout(en) in het systeem of proces liggen hieraan ten grondslag?
  5. Deelt u de opvatting dat het indienen van beroep bij de rechtbank wezenlijk verschilt van het maken van bezwaar, onder meer omdat beroep minder laagdrempelig is, hogere eisen stelt aan motivering en doorgaans meer tijd, geld en juridische kennis vergt van betrokkenen? Zo nee, waarom niet?
  6. Deelt u de opvatting dat van betrokkenen in redelijkheid niet kan worden verwacht dat zij binnen dezelfde termijn en zonder duidelijke keuze direct een beroep bij de rechtbank instellen, terwijl zij mogelijk in de veronderstelling zijn dat zij bezwaar maken?
  7. Deelt u de opvatting dat betrokkenen in hun rechtspositie zijn benadeeld doordat, na het constateren van een fout, de termijn niet is verlengd en zij nog slechts enkele dagen (circa zes dagen) hadden om zich voor te bereiden op een gerechtelijke procedure? Zo nee, waarom niet?
  8. Staat de korte periode van herstel in verhouding met de termijnen die de overheid zelf hanteert? Zo ja, kunt u dat onderbouwen?
  9. Acht u het in het kader van zorgvuldige besluitvorming wenselijk dat betrokkenen in een situatie zoals bij Woo-verzoek Woo/2023/066 niet expliciet zijn gewezen op het verschil tussen bezwaar en beroep en de gevolgen daarvan, waaronder griffierechten en procedurele vereisten?
  10. Waarom is er in dit geval niet voor gekozen om, na constatering van de onduidelijkheid, de termijnen aan te passen en betrokkenen opnieuw en duidelijk te informeren over hun rechtspositie en de mogelijkheid om, desgewenst, beroep in te stellen?
  11. Deelt u de opvatting dat het, gelet op de impact van openbaarmaking van persoonsgegevens en de rechtspositie van betrokkenen, zorgvuldiger was geweest om betrokkenen een nieuwe termijn te bieden en hen expliciet de keuze te geven om beroep in te stellen? Zo nee, waarom niet?
  12. Hoe kan het dat bij een uitvoeringsorganisatie als RVO, die zoveel cruciale data en besluiten verwerkt, dit soort grootschalige fouten niet eerder (lees voor het versturen van de betreffende brief) worden gesignaleerd?
  13. In het regeerakkoord spreekt u over “een betrouwbare en menselijke overheid. De overheid en de politiek kunnen meer doen om vertrouwen te vergroten, door een menselijk gezicht en een overheid die zich transparant opstelt”, hoe past dit voorbeeld in het streven naar een betrouwbare en menselijke overheid?
  14. Waarom heeft een bezwaar tegen openbaarmaking in het kader van de Woo geen opschortende werking, waardoor betrokkenen genoodzaakt zijn een voorlopige voorziening aan te vragen om openbaarmaking te voorkomen?
  15. Kunt u aangeven hoe vaak een verzoek tot een voorlopige voorziening (vovo) in dit soort zaken níet wordt toegewezen? Klopt het beeld dat deze in de praktijk vrijwel altijd worden toegekend?
  16. Deelt u de opvatting dat het verplicht moeten aanvragen van een voorlopige voorziening leidt tot onnodige belasting van zowel betrokkenen als de rechtspraak, terwijl het doel (het tijdelijk opschorten van openbaarmaking) ook op een eenvoudiger manier bereikt zou kunnen worden?
  17. Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om bij bezwaar tegen openbaarmaking standaard een opschortende werking toe te passen, zodat het aanvragen van een voorlopige voorziening niet langer nodig is? Zo nee, waarom niet?
  18. Hoe verhoudt deze werkwijze zich tot de eerder aangenomen motie van Van der Plas over openbaarmaking van een Woo-besluit automatisch opschorten als er bezwaar is ingediend (Kamerstuk 32802-114) die juist beoogt de rechtsbescherming van burgers te versterken en onnodige juridische procedures te voorkomen?
  19. Hoe staat het met de uitvoering van de motie van Van der Plas (Kamerstuk 32802-111), waarin wordt verzocht om een onafhankelijk onderzoek naar de sociale veiligheid van agrariërs in Nederland? Is dit onderzoek inmiddels gestart of afgerond? Zo ja, wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?

Deel dit artikel