Begrippenlijst A – Z

bbb_logo_witte_rand_2022.svg

DE STEM VAN EN VOOR HET PLATTELAND

Begrippenlijst A – Z

Gepubliceerd op: 29-05-2019

A

Aaltjes: Van nature leven er aaltjes in de bodem, net als wormen en andere insecten horen zij bij een natuurlijk bodemleven. Sommige aaltjessoorten vreten echter de wortels van gewassen aan en kunnen grote schade veroorzaken.

Aantasten: Het zich vestigen en uitbreiden van een parasiet of ziekteverwekkend organisme op of in een plant.

Aantasting: het aantasten of aangetast zijn.

Aanvaardbare dagelijkse inname: hoeveelheid van een werkzame stof die dagelijkse inname (ADI) gedurende het hele leven door de mens via het voedsel opgenomen kan worden zonder merkbare risico voor de gezondheid.

Aardappelmoeheid: Aardappelmoeheid is een plantenziekte bij aardappelen die veroorzaakt wordt door aaltjes/rondwormen (nematode), uit het geslacht van de aardappelcystenaaltjes. De ziekte kan flinke opbrengstderving geven. In aangetaste aardappelgewassen ontstaan plekken waar de planten slecht groeien of doodgaan, de zogenaamde valplekken.

Acaricide: gewasbeschermingsmiddel tegen schadelijke mijten, mijtenbestrijdingsmiddel.

Actieve resistentie: Een afweerreactie van de gastheer, die pas op gang komt na infectie of aantasting.

Actieve stof: zie werkzame stof

Acuut: onmiddellijk, direct.

Adaptatie: Aanpassing van micro-organismen aan de toegediende bestrijdingsmiddelen, zodat deze versneld worden afgebroken.

ADI: Acceptabele dagelijkse inname van pesticideresiduen op voedingsproducten.

Adsorptie: Binding van de ene stof aan een andere. Bijvoorbeeld herbiciden aan klei- en humusdeeltjes.

Aërosol: Een dispensie van zeer kleine druppeltjes of deeltjes in een gas, gasvormig bestrijdingsmiddel.

Afgiftetijd: Tijd die een vector (insect of aaltje)nodig heeft om een virus aan een plant af te geven zodat infectie volgt.

Afkalfhok: Hok waar kalveren worden geboren.

Afkalfstal: Een koe die op het punt staat om een kalfje te krijgen, heeft rust nodig. Daarom wordt een drachtige koe naar de afkalfstal gebracht als deze op het punt staat om te bevallen. Daar is het ook wat makkelijker om de koe tijdens de bevalling te helpen, mocht dat nodig zijn.

Afkalven: Wanneer een koe een kalf krijgt.

Afweermiddel: Bestrijdingsmiddel dat uitsluitend afwerend werkt op dieren (bijvoorbeeld vogels of insecten).

Agressiviteit: 1. Vermogen van een parasiet om een organisme aan te tasten. 2. Mate waarin gewasbeschermingsmiddelen (bijv. herbiciden) schadelijk zijn voor het gewas.

Akkerrand: Akkerranden zijn bedoeld voor de biodiversiteit, onder meer voor het aantrekken van bijen, hommels en andere insecten.

Algicide: wierdodende (algdodende) stof, Wierbestrijdingsmiddel.

Allesdodend herbicide: Chemisch onkruidbestrijdingsmiddel dat gebruikt kan worden voor het doden van alle op een bepaalde plaats aanwezige planten.

Amensalisme of antibiose: Samenleving waarbij de één het leven van de andere afremt, zonder er zelf voor- of nadeel van te ondervinden

AM-vrij verklaring: De verklaring die je ontvangt als de grond van je perceel geen aaltjes bevat die aardappelmoeheid veroorzaken.

Antagonist: Tegenstander. Bijvoorbeeld een schimmel of bacterie, die ingezet kan worden bij de biologische bestrijding van plantenziekten. Deze organismen koloniseren de plant, waardoor er geen ziekteverwekkende organismen meer op de plant kunnen groeien.

Antibiotica: Antibiotica zijn geneesmiddelen die helpen tegen infectieziekten. De regels voor antibioticagebruik in de veehouderij in Nederland zijn strenger dan waar ook ter wereld. Het antibioticagebruik bij vee is sinds 2009 met circa 60 procent gedaald. Bij pluimvee zelfs met 70 procent. Alleen een dierenarts mag antibiotica voorschrijven. Een dierenarts moet het bedrijf inspecteren en beoordelen. Daarna mag hij pas antibiotica voorschrijven en toedienen aan zieke dieren. Alleen onder strikte voorwaarden mag een veehouder zelf antibiotica toedienen. Veehouders moeten het gebruik van antibiotica op hun bedrijf registeren. De Autoriteit Diergeneesmiddelen (SDa) legt de gegevens vast. De SDa maakt regels voor goed gebruik van antibiotica. Antibiotica die als laatste redmiddel voor mensen worden gebruikt, mogen niet of alleen onder strikte voorwaarden worden gebruikt bij dieren. Veehouders mogen geen dieren aanleveren voor de slacht waar resten van antibiotica in zitten. Antibiotica kunnen dus nooit in vlees, eieren en zuivel zitten!
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) controleert de registratie van de bedrijven en het gebruik van antibiotica in de veesector.
Meer informatie vindt u op: www.nvwa.nl/onderwerpen/antibiotica-in-de-veehouderij. Voor actuele informatie over antibioticagebruik bij vee, ga naar: www.autoriteitdiergeneesmiddelen.nl.

Antibioticum: Een stof, geproduceerd door een levend micro-organisme, die in lage concentraties groei remmend of dodend werkt op andere micro-organismen.

Antigeen: lichaamsvreemde stof, meestal een eiwit, die in de bloedbaan van een gewerveld dier, eiwitten (antilichamen) doet ontstaan, die met de betrokken lichaamsvreemde stof specifiek reageren.

Antilichaam: antistof: eiwit, dat gevormd wordt na infectie (of inspuiting) van een gewerveld dier met een antigeen. De antistof reageert specifiek met het antigeen.

Antischuim: stof die, of mengsel van stoffen dat, aan een chemisch bestrijdingsmiddel is of wordt toegevoegd om schuimvorming bij de vloeistof tegen te gaan.

Antiserum: bloedserum van dier, dat doelbewust met een antigeen is ingespoten en daardoor specifieke antilichamen bevat, waarmee dat antigeen kan worden opgespoord en herkend.

Apothecium: vruchtlichaam van een schimmel.

ARfD (Acute Referentie Dosis): vergelijkbaar met de ADI – waarde maar vastgesteld voor werkzame stoffen met een verhoogd risico op acute toxiciteit;

Aquatisch ecosysteem: Systeem bestaande uit (groepen van)organismen en abiotische elementen in een bepaald (deel van een) water.

Attentiekoeien: Koeien die extra in de gaten gehouden moeten worden omdat ze bijvoorbeeld drachtig zijn of op korte termijn vruchtbaar worden. Ook zieke koeien en koeien met afwijkende waarden in het melkmonster komen op de lijst van attentiekoeien.

B

Bactericide: bacteriedodend middel, bacteriënbestrijdingsmiddel.

Bacterie: zeer klein levend organisme met ‘stevige celwand. Ze is eencellig, bezit geen echte celkern en vermenigvuldigt zich in het algemeen door deling.

Bedrijf hygiënische maatregel: fytosanitaire maatregel, genomen door de individuele teler ter bevordering van de gezondheidstoestand van eigen gewas(sen).

Beer: Mannetjesvarken.

Berengeur: Een geur die een ongecastreerd varken kan ontwikkelen onder invloed van bepaalde hormonen. Net als bij jongens die meer gaan ruiken naarmate ze ouder worden, is dit ook bij puberende varkens zo. Deze geur kan in het vlees gaan zitten en wordt door een aantal consumenten als zeer onaangenaam ervaren. Berengeur komt overigens niet bij alle varkens voor, maar het kán voorkomen. Normaal gesproken wordt die geur al herkend in de slachterij. Daar testen ze varkensvlees op berengeur. Komt dit voor, dan belandt het vlees niet in de supermarkten als vers vlees (zie ook ‘vers vlees’). Er worden dan bijvoorbeeld vleeswaren, of rookworsten van gemaakt. Bij koken verdwijnt de geur. Soms slipt er wel vlees met berengeur doorheen helaas. Dit vinden boeren heel vervelend, want mensen die berengeur in de pan hebben gehad, zijn niet meer snel geneigd varkensvlees te kopen. Terwijl er met het vlees zelf niets aan de hand is en de smaak ook normaal is. Mocht u de geur ooit ruiken, geef dit dan aan bij uw supermarkt of slager.

Berig: Dit betekent dat een zeug vruchtbaar is en gedekt wil worden.

Beschadigen: het veroorzaken van verwonding of letsel door klimaat factor (hitte, droogte, hagel, slagregen), gereedschap, werktuig, bestrijdingsmiddel of vretend en soms zuigend dier aan een plant, waarbij deze niet of nauwelijks met ziekteverschijnselen reageert.

Besmetten: het verontreinigen van planten. gereedschap enz. met een ziekteverwekkend organisme, virus.

Besmetting: het besmetten of het besmet zijn.

Bestrijding: maatregelen om een populatie van een schadelijk organisme of virus te verminderen.

Bestrijdingsdrempel: populatiedichtheid van een ziekteverwekker of onkruid in, of aantastingniveau van, een gewas waarbij een ingreep het overschrijden van de economische schadedrempel kan voorkomen.

Bestrijdingsmiddel: Gewasbeschermingsmiddel, Biocide of Pesticide. Middel aangewend voor de bestrijding van of voorkoming van aantasting door een schadelijk organisme of virus

Bestuiving: Bestuiving is een belangrijke stap in de voortplanting van zaadplanten: de overdracht van stuifmeelkorrels (waarin de mannelijke geslachtscellen of zelfs alleen de spermakernen worden gevormd) uit de helmhokjes van de meeldraad naar de stempel van de stamper.

Bierbostel: Bierbostel of draf is een restproduct van de bierbrouwerij. Omdat het zeer eiwit- en energierijk is, wordt het gebruikt als veevoer. In de brouwerij wordt na het maischen (tijdens het maischen wordt de geschrote mout gemengd met warm water) het wort gescheiden van de bostel. Bierbostel wordt vooral gebruikt door melkveehouders die het eiwitgehalte in het voederrantsoen willen verhogen. Ook bevordert het de penswerking van de koe waardoor het voer beter verteerd kan worden.

Biest: De eerste moedermelk. Biest zit vol met antistoffen tegen ziektes.

Binnendringingsresistentie: resistentie die zich uit bij of onmiddellijk na het binnendringen van een ziekteverwekker.

Bio accumulatie: Doorvergiftiging oftewel het doorgeven en ophopen van bestrijdingsmiddelen in voedselketens, vooral bekend van slecht oplosbare en vet minnende middelen met een lange afbraaktijd.

Biocide: Bestrijdingsmiddelen die niet zijn bedoeld voor het beschermen van planten (bijv. rodeticiden, algen werende lakverf )

Biodiversiteit: “Bio” betekent leven. “Diversiteit” betekent afwisseling, verschil, verscheidenheid. Biodiversiteit is een parapluterm voor alle verschillende soorten die we op aarde hebben. Het is belangrijk dat we –bijvoorbeeld- niet alleen maar meeuwen hebben, maar ook mussen, niet alleen maar gras, maar ook kruiden. Variatie is belangrijk voor het evenwicht in de natuur. Omdat er verschillende soorten dieren, insecten, planten en bomen zijn, blijft de natuur in evenwicht.

Biofumigatie: Biologische bestrijding van ziekten en plagen die in de bodem voorkomen. Hierbij worden verschillende soorten planten geteeld. Nadat ze zijn uitgegroeid, worden ze kort geslagen en goed ingemengd in de bodem. Deze producten kunnen bijvoorbeeld mosterdzaad, of bladrammenas zijn.

Biologisch bestrijdingsmiddel: bestrijdingsmiddel waarvan het werkzame bestanddeel een levend organisme of virus is.

Biologische bestrijding: het in bedwang houden van ziekteverwekkers met natuurlijke vijanden of virussen.

Biotype: populatie van individuen die genetisch identiek zijn en die gespecialiseerd zijn op één of enkele rassen van de waardplant.

Blankvleeskalf: Kalf dat naast brok met stro, ook gedurende zijn leven speciale kalvermelk krijgt. De melk zorgt voor een blanke kleur van het vlees en niet bloedarmoede.

Bladherbicide: herbicide dat werkt via het blad van het te bestrijden onkruid.

Bodemherbicide: onkruidbestrijdingsmiddel dat werkzaam is na opname door de wortels.

Bodemmoeheid: ongunstige toestand van de bodem, die zich uit in slechte groei of vermindering van de opbrengst van een gewas na een te nauwe of ontbrekende vruchtwisseling of bij herinplanting (“herinplantingsziekte”).

Bokkenwagen: Wagentje voor bokjes die in de melkgeitenboerderij worden opgehaald. De bokjes gaan daarna naar een gespecialiseerd bokkenbedrijf.

Broedeieren: Bevruchte eieren die worden gebruikt voor het uitbroeden.

Broederij: Een gespecialiseerd bedrijf waar broedeieren in een broedkast worden uitgebroed. De kuikens die daar uitkomen gaan vervolgens naar een kippenboerderij om op te groeien tot vleeskuiken (kippenvlees) of leghen (eieren).

Broeiers: Dit zijn bedrijven die van een bloembol een bloem maken. Ze laten de bol dus uitkomen en oogsten de ontstane bloemen.

Bronstig: Een zeug is bronstig wanneer zij ontvankelijk is voor de beer.

Bult: Een grote bult met kuilvoer.

Bunkers: Een bunker of kuil wordt gebruikt om voer op te slaan. Zo worden mais en kuilgras opgeslagen op een betonnen plaat met dik plastic er overheen om het te beschermen. Natte producten worden meestal in een roestvrijstalen bak of silo opgeslagen.

C

Castratie: Het al op jonge leeftijd weghalen van de teelballetjes bij een dier. In de varkenshouderij gebeurt dit bijvoorbeeld om later ‘berengeur’ te voorkomen (zie ook ‘berengeur’). Als stiertjes worden gecastreerd, worden het ossen. Castreren bij runderen gebeurt omdat ze op een leeftijd seksueel actief worden en dan agressief gedrag kunnen vertonen. Als je ossenhaas koopt in de winkel, is dit vlees van een gecastreerde stier. Ossen kunnen goed groepsgewijs in weides of begrazingsgebieden worden gehouden. Ossenvlees is volgens sommige slagers malser dan stierenvlees. Castreren van dieren in Nederland moet verplicht onder verdoving worden gedaan. Napijnbestrijding wordt steeds vaker verplicht, maar gebeurt bij veel veehouders al standaard.

Celgetal: Het celgetal is een maat voor het totaal aantal cellen per milliliter melk. In melk uit een gezonde uier zitten circa 50.000 cellen per milliliter. Deze cellen bestaan voor het merendeel uit afweercellen (witte bloedcellen/leukocyten) en een gering percentage (minder dan 2 procent) afgestorven oppervlaktecellen van het uierweefsel. Wanneer bacteriën de uier binnendringen, zetten eerst de leukocyten in de uier de aanval in. Meteen daarna komen grote aantallen leukocyten vanuit het bloed naar het bewuste kwartier. Het celgetal in dat kwartier schiet dan omhoog.
Een verhoogd celgetal in een kwartier is één van de meest betrouwbare aanwijzingen voor een ontsteking. Als het celgetal van het kwartier toeneemt stijgt ook het koecelgetal, al is die stijging minder door de verdunning met de melk van andere kwartieren (zie ook ‘kwartier’). Koeien met een verhoogd koecelgetal laten het celgetal van de tank ook stijgen, waarbij ook weer een verdunningseffect optreedt.

Chemisch bestrijdingsmiddel: fabrieksmatige formulering, waarin een voor schadelijke organismen dodende, remmende of afwerende stof is verwerkt ter bestrijding van die organismen.

Chlorose: het niet aanwezig zijn van de normale groene kleur van plantedelen door het ontbreken van bladgroen.

Chlorotisch: chlorose vertonend.

Choline-esterase: een enzym dat betrokken is bij de prikkel overdracht in zenuwcellen.

Chromosoom: draadvormig lichaam in een celkern waarin zich het erfelijke materiaal bevindt.

Circo: Een virus dat varkens kan treffen. Circo geeft problemen met verschillende lichaamsfuncties. Longen, nieren, lever en maag/darmen kunnen aangetast worden, dieren worden bleek, enz. Dit ziektebeeld lijkt veel op verschijnselen die ook bij varkenspest kunnen optreden.

Classificatie: Om ervoor te zorgen dat bij alle varkensslachterijen op dezelfde wijze het geslacht gewicht en het classificatieresultaat wordt bepaald, zijn er regels opgesteld. Deze garanderen eerlijke concurrentieverhoudingen. Bovendien weet de leverancier van vleesvarkens zeker dat het slachten en het wegen door een onafhankelijke organisatie wordt gecontroleerd. Ook de classificatie wordt uitgevoerd door deze onafhankelijke organisatie. Dat is eveneens een belangrijke garantie.

Classificatie komt voort uit belangrijke onderdelen van het varken zoals het aandeel ham (bil en been) en karbonade (de karbonadestreng die loopt van kop tot staart over het ruggedeelte). Dit kun je beïnvloeden met voer en raskeuze.

Alle varkens worden in het slachthuis apart ‘geklast’. Daar wordt de boer naar uitbetaald. Belangrijk voor de boer, maar ook voor consument. Bij classificatie worden onder meer de spek- en spierdikte gemeten. Het classificatiesysteem is gebaseerd op het geslacht van het dier, het type dier, de bespiering en het percentage vlees en vet. In de Europese Unie wordt dit uitgedrukt met de letters S, E, U, R, O, P. Dit staat voor: Superieur, Excellent, Zeer Goed, Goed, Matig, Gering.

Cleistothecium: vruchtlichamen van een schimmel.

Code-naam: internationaal overeengekomen korte aanduiding voor een werkzame stof.

Commensalisme: Samenleving waarbij de één profiteert en de ander geen nadeel ondervindt

Complexe ziekte: ziekte veroorzaakt door twee of meer parasieten of virussen, waarbij de symptomen niet zijn te herkennen als behorend bij één van de ziekteverwekkers.

Conference: De Conference is een tamelijk grote handpeer en is vanwege de bewaarbaarheid het in België en Nederland meest geteelde ras. Het sappige vruchtvlees is lichtoranje en zoet. De schil is hard. Het ras is een Engels perenras dat in 1894 in de handel kwam en waarmee in Nederland meer dan 65 jaar ervaring is.

Conidium: een ongeslachtelijk gevormde spore, meestal aan de top of zijkant van een schimmeldraad gevormd.

Contactherbicide: herbicide waarvan de werking voornamelijk beperkt blijft tot de plaats van contact met de plant.

Contactwerking: werking van een gewasbeschermingsmiddel dat in de regel niet door planten opgenomen wordt, maar als beschermende laag op het oppervlak verblijft. De werking ontstaat bij contact van de schadeveroorzakers met de beschermende laag (vergelijk systemische werking)

Couperen (varkens): Van het grootste deel van onze varkens wordt de staart op zeer jonge leeftijd gecoupeerd om de kans op staartbijten op latere leeftijd te verkleinen. Voor lichamelijke ingrepen bij dieren geldt in principe een verbod, tenzij ze diergeneeskundig noodzakelijk zijn. Het overheidsbeleid van zowel Nederland als Europa is gericht op het uitfaseren van routinematig uitgevoerde lichamelijke ingrepen. Het couperen van staarten staat maatschappelijk ter discussie en heeft de volle aandacht van de varkenssector. Dit leidde in 2013 onder andere tot de “Verklaring van Dalfsen”, waarin de sector de ambitie heeft vastgelegd om op termijn te stoppen met couperen. Op dit moment is een algemeen coupeerverbod onverantwoord omdat met de huidige kennis en kunde het welzijn van varkens met lange staarten op veel bedrijven onvoldoende gewaarborgd kan worden. In enkele landen is couperen al langer verboden. Maar ook in die landen heeft soms meer dan 2 procent van de op het slachthuis aangeboden dieren een aangebeten staart.

Ctgb: Het Ctgb is een overheidsorgaan dat gewasbeschermingsmiddelen onafhankelijk moet beoordelen namens de regering.

Curatief: genezend.

Cyste: hardwandige rustvorm van een aaltje gevormd uit de huid van het moederaaltje, met daarin eieren en larven (bijv. aardappelcysteaaltje).

D

Decline-effect: verschijnsel dat een ziekteverwekker na afloop van een aantal jaren met continu-teelt van een waardplant, minder schade geeft.

Dekstal (varkens): De dekstal, ook wel de inseminatiestal genoemd is een stal waar zeugen kunstmatig worden geïnsemineerd om drachtig te worden.

Dermale toxiciteit: giftigheid ten gevolge van het aanbrengen of terechtkomen van een werkzame stof, resp. formulering, op de huid.

Desinfectans: ontsmettingsmiddel.

Desinfecteren: het wegnemen of onschadelijk maken van ziektekiemen met het doel infektie te verhinderen of uitbreiding ervan te voorkomen.

DFD-vlees: Donker en droog vlees door een te hoge pH-waarde in het varken als gevolg van vermoeidheid.

Diagnose: het vaststellen van de aard van een ziekte.

Diagnostiek: herkenning van ziekten en beschadigingen aan de hand van de voorgeschiedenis en van karakteristieke symptomen. zoveel mogelijk op grond van de veroorzaker of oorzaak.

Dicotyl: tweezaadlobbig.

Dieven: Ongewenste scheuten die groeien in de oksel van het stengelblad van een tomatenplant. Dieven nemen de voeding weg en zorgen voor een woekerende, brede plant. Dieven zorgen ook dat er veel energie wordt verspeeld. Die energie moet de plant eigenlijk in de hoofdstengel en de tros steken.

Dispergeermiddel: bestanddeel gebruikt bij de formulering van een bestrijdingsmiddel dat zorgt voor een goede verdeling van kleine gesuspendeerde deeltjes (zo ontstaat geen samenklontering).

Doodliggen (varkenshouderij): Wanneer een zeug op haar pasgeboren biggetje(s) gaat liggen, waardoor de big wordt doodgedrukt.

Doodspuitmiddel: stof met planten dodende werking. (bijv. loofdoding).

Dosering product: de hoeveelheid werkzame stof of chemisch bestrijdingsmiddel die per eenheid van te behandelen oppervlakte, volume of gewicht wordt toegepast.

Dosering spuitvloeistof: bepaalde hoeveelheid spuitvloeistof ofwel gewasbeschermingsmiddel met water, die voor de behandeling van bijv. een bepaald oppervlak vereist is

Draagstof: poedervormige verdunningsstof in een formulering, waarin de werkzame stof zit.

Dracht: De periode dat een zeug, koe, geit of schaap drachtig is.

Drachtig: Mensen zijn zwanger, dieren zijn drachtig. Een koe is ongeveer negen maanden drachtig, een zeug is drie maanden, drie weken en drie dagen zwanger

Dragendezeugenstal: Stalruimte waar drachtige zeugen zijn gehuisvest. In Nederland moeten zeugen 4 dagen na inseminatie verplicht in deze groepshuisvesting worden geplaatst. Dit geldt voor zowel gangbare als biologische varkens.

Drainage: Drainage of ontwatering is het afvoeren van water uit de bodem over en door de grond, met als gevolg het verlagen van het grondwaterpeil. Hierbij kan het water worden afgevoerd via drainslangen met gaatjes, kleine sloten of greppels.

Drift: ongewenst verwaaien van een deel van de spuitvloeistof tijdens de toepassing (kan door spuiten bij windstil weer worden voorkomen).

Droge koe: Koe die enkele weken geen melk geeft om op krachten te komen voor het afkalven.

Droogzetten: Een koe niet meer melken, omdat zij binnen een paar weken een kalf verwacht.

Druppelleiding: De druppelleiding is een leiding met kleine kamers. In het midden van deze kamers zit een kleine opening waardoor het water langzaam naar buiten druppelt. Hierdoor wordt het water geleidelijk opgenomen in de grond, waardoor er geen waterplas ontstaat.

Dubbeldoelkoe: De dubbeldoelkoe is geen ras. De naam is in de jaren zestig bedacht voor iets wat toen volstrekt normaal was in ons land en op het punt stond te verdwijnen: je houdt koeien voor hun melk én hun vlees. Geen specialisatie dus maar een allrounder.

Duurmelken (geiten): De geit 1 of 2 keer laten aflammeren en daarna doormelken, zonder nieuwe lammeren te krijgen. Dit is een duurzame wijze van geiten houden, voor de dieren en voor de geitenhouder. De geit wordt minder belast, waardoor zij langer leeft, er minder uitval (sterfte) is en er minder arbeidsdruk is voor de geitenhouder in de lammerperiode. Ook economisch is duurmelken interessant, omdat de geit melk kan blijven geven.

Dwerggroei: het opvallend kleiner blijven van de plant door groeiremming.

E

Eau de vie’s Eau de vie (Frans voor “levenswater”): is een verzamelnaam voor allerlei sterk-alcoholische dranken, die vaak worden gemaakt van vergiste en daarna gedestilleerde vruchten, maar ook van granen en zelfs van bier.

Ecologische: Algemene regel m.b.t. een ecologische grootheid met een bepaalde mate van verbinding, al dan niet mede in kwantitatieve termen uitgedrukt.

Ectoparasiet: parasiet die een plant of dier van buitenaf aantast.

Eicode: Op eieren staat altijd een stempel met getallen en letters. Deze code is wettelijk verplicht en moet dus op elk ei staan. Een voorbeeld van een eicode is: 2-NL-45146 01. De 2 geeft aan hoe de kip heeft geleefd. Er kan ook een 0, 1 of 3 opstaan. 0= biologisch ei, 1= vrijeuitloopei of grasei, 2= scharrelei of Rondeel, 3= koloniehuisvesting. Het nummer 3 zul je niet aantreffen op eieren in de supermarkt, maar mogelijk wel ergens anders of in het buitenland. Nummer 3 was eerst het nummer voor legbatterij-ei, maar het legbatterijen zijn sinds 2012 verboden. Nu wordt 3 gebruikt voor koloniehuisvesting (zie ook ‘koloniehuisvesting’) NL staat voor Nederland. De letters zijn een afkorting voor het land waar de eieren vandaan komen. De laatste reeks getallen verwijzen naar het bedrijf waar de eieren vandaan komen. Dit maakt traceren mogelijk, mocht er met de eieren later iets mis blijken.

Elektrolyten: Voer bestaat uit diverse elementen: eiwitten, vetten en koolhydraten, vitaminen, mineralen en spoorelementen. In mineralen en spoorelementen zitten belangrijke elektrolyten. Dit zijn kleine anorganische elektrisch geladen deeltjes, die ontstaan bij het oplossen van zouten, zuren en basen. Elektrolyten helpen het lichaam bij het regelen van de zenuw- en spierfunctie.

Emissie: De uitstoot van bestrijdingsmiddelen uit een al of niet overdekt perceel cultuurgrond of een ander doelobject zoals een erf of bedrijfsgebouw naar de omgeving voor, tijdens en na de toepassing.

Emulgator: bestanddeel van een bestrijdingsmiddel dat de vorming van een emulsie mogelijk maakt.

Emulsie: vloeistofdruppels, die in een andere vloeistof blijven zweven (vetdruppels in melk). In emulsies van bestrijdingsmiddelen bevindt de werkzame stof zich in opgeloste toestand in deze druppels.

Endoparasiet: parasiet die in de plant of het dier zit.

Enten (tomaten): Een groeikrachtige onderstam en een tomatenplantje op elkaar zetten. De plant wordt daardoor vitaler, beter bestand tegen wortelziekten en betere resistentie tegen ziektes.

Epidemie: tijdelijk ongewoon sterk optredende infectieziekte, die vele individuen gelijktijdig aantast.

Erfafspoeling: Wanneer hemelwater op het verharde boerenerf in contact komt met voer(resten), mest(resten), perssappen en percolaat (water dat door vervuild materiaal, bijvoorbeeld afval, is gestroomd) en rechtstreeks in het oppervlaktewater wordt geloosd. Het gevolg is een verslechtering van de waterkwaliteit op lokaal niveau. Lozing van erfafspoelwater is niet toegestaan.

Exportkeuring: Als vee de grens over gaat, is de boer verplicht om een exportkeuring te laten uitvoeren door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Ook al is het maar 1 kilometer de grens over. Een vervoer van Groningen naar Maastricht (300 km) mag zonder verplichte keuring. De keuringen door de NVWA zijn wettelijk verplicht en moeten door de boer zelf worden betaald.

F

FAB: Functionele Agro Biodiversiteit

Facultatieve parasiet: parasiet, die op een kunstmatige voedingsbodem gekweekt kan worden. Zie ook obligate parasiet.

Feromoon: lokstof, signaalstof, die het gedrag van een soortgenoot gunstig beïnvloedt.

Feromoonverwarring: In de teelt van hardfruit is fruitmot een belangrijke bedreiging. Fruitmot kan namelijk de vruchten van de appels beschadigen. Fruitmot kan door telers volledig op een duurzame wijze bestreden worden met behulp van een feromoon verwarringstechniek. Hierbij hangen de telers speciale geurdraadjes op. Dit geurstofje verwart de mannetjesmotten, waardoor zij de vrouwtjes niet kunnen vinden. Zo kunnen zij zich niet voortplanten.

Flowable: geconcentreerde suspensie, die dik vloeibaar is.

Formuleren: het toevoegen van hulp- en draagstoffen aan de werkzame stof, zodat een gebruiksklaar product ontstaat.

Formulering: bereiding van een werkzame stof, bijv. een spuitvloeistof of een granulaat

Fotosynthese: vorming van bouwstoffen uit koolzuurgas en water in een plant onder invloed van licht.

Frees/Frezen: Een frees wordt gebruikt voor het bewerken van de grond. In tegenstelling tot ploegen vindt er geen kerende grondbewerking plaats, maar wordt de grond door elkaar geroerd. Gewasresten en organische mest worden echter niet door de grond gemengd maar er wel onder gebracht. In één grondbewerking wordt de grond zaaiklaar gemaakt.

Fruitmot: De fruitmot, ook wel appelbladroller, is een nachtvlinder uit de familie Tortricidae, de bladrollers. De soort overwintert als rups.

Fumigans: bestrijdingsmiddel dat in gas- of dampvorm of als rookmiddel werkt of wordt toegediend.

Fumigeren: het behandelen van ruimten of voorraden met een bestrijdingsmiddel in gas- of dampvorm (begassen) of als rookmiddel (beroken).

Fungicide: Middel gebruikt voor de bestrijding van schimmels.

Fungistatisch: schimmelgroei vertragend of -stopzettend,

Fysio: populatie van individuen die zich onderscheidt van andere, op het oog gelijke populaties, door het feit dat ze maar enkele rassen van de waardplant aantasten (de term wordt vooral bij schimmels gebruikt).

Fytofarmacie: leer van de werking en bereiding van de chemische bestrijdingsmiddelen van planteziekten en – plagen.

Fytopathologie: plantenziektenkunde.

Fytosanitaire maatregel: maatregel, voornamelijk ter voorkoming van het ontstaan van besmettings- of infectiebronnen of ter verwijdering of vernietiging ervan, of ter voorkoming van de verspreiding van parasieten,

en in het algemeen ter bevordering van de gezondheidstoestand van plant en gewas.

Fytotoxiciteit: planten beschadigende werking.

Fytotoxisch: planten beschadigend.

G

Gal: nieuwgevormd plant orgaan of -weefsel, dikwijls met een karakteristieke vorm, verwekt door een organisme dat el’ tijdelijk woont.

Gastheer: organisme waarin of waarop een ander organisme of virus de voorwaarden vindt, die voor zijn groei en vermeerdering nodig zijn.

Gebrekziekte: tekort aan één of meer voedingsstoffen (mineralen) waardoor ziekteverschijnselen ontstaan.

Gebruiksdatum (uiterste): bij formulering de laatste datum waarop de deugdelijkheid als chemisch bestrijdingsmiddel nog gegarandeerd wordt.

Gedaanteverwisseling: overgang van het larvestadium naar het stadium van volwassen insect, samengaand met een volledige of een onvolledige verandering van het uiterlijk.

Geënt: Bij het enten wordt een deel van een plant (de ent) vastgemaakt op een deel van een andere plant (de onderstam). Zo worden eigenschappen van planten gecombineerd.

Geïntegreerde bestrijding: samenspel van biologische en chemische bestrijding.

Geleide bestrijding: er wordt alleen gespoten als dit strikt noodzakelijk is. De noodzaak van een maatregel wordt vastgesteld aan de hand van vastgestelde schadedrempels.

Gelt: Een jong vrouwtjesvarken dat nog geen biggen heeft gehad.

Gen: erfelijke eenheid, verantwoordelijk voor een bepaalde eigenschap van het organisme.

Gespeende biggen: Biggen die zijn gespeend, zijn biggen die verder opgroeien zonder hun moeder. Bij biggen gebeurt dit meestal als ze tussen de 21 en 28 dagen oud zijn. In de biologische varkenshouderij blijven ze nog iets langer bij de zeug. Gespeende biggen hebben dan geen moedermelk meer nodig en eten vast voer en brijvoer. De gespeende biggen komen bij elkaar in een hok en groeien in de volgende maanden verder op totdat zij groot genoeg zijn om geslacht te worden. Dan worden het vleesvarkens genoemd.

Gesloten varkensbedrijf: Een gesloten varkensbedrijf betekent niet dat er niemand mag komen. Het betekent dat vanaf de inseminatie (zaadje van de beer) tot het moment van slacht (karbonaadje) de dieren op een bedrijf opgroeien. Niet alle varkenshouders doen dit. Sommigen hebben een zeugenbedrijf (dit zijn bedrijven met alleen zeugen en biggen. Die biggen blijven daar tot ze ongeveer 25 kilo wegen). Anderen hebben weer een vleesvarkensbedrijf. Daar komen de biggen vanaf ongeveer 25 kilo om verder op te groeien. Een gesloten varkensbedrijf heeft dit dus allemaal: kraamzeugen, biggen en vleesvarkens. Het voordeel van een gesloten bedrijf is dat de dieren pas met een veetransport gaan als ze geslacht worden. Tussendoor hoeven de dieren niet met een veetransport.

Gesteltakken: Een gesteltak is een hoofdtak van de boom. De gesteltak wordt gevormd op de plaats waar de stam van de boom gaat vertakken.

Gesloten teelt (beschermde teelt); kasteelt: Teelt van een gewas waarbij kunstmatig het klimaat en de vochtvoorziening kan worden geregeld.

Gevoeligheid: 1. mate van reactie van een organisme op een parasiet of een virus; 2. mate waarin de plant schade lijdt / kwetsbaar is.

Gewasbeschermingsmiddelen: Gewasbeschermingsmiddelen zijn middelen die in de landbouw worden gebruikt bij het bestrijden van schimmels, insecten en onkruiden. Bestrijdingsmiddelen die buiten de landbouw worden toegepast, zijn geen gewasbeschermingsmiddelen, maar biociden. Behalve als de toepassing vergelijkbaar is met die in de landbouw. Slakkenkorrels en onkruidbestrijdingsmiddelen zijn bijvoorbeeld altijd gewasbeschermingsmiddelen. Een gewasbeschermingsmiddel bevat één of meer werkzame stoffen. De werkzame stoffen zijn de actieve componenten in het middel en zorgen voor het gewenste effect.

Gewasbescherming: bescherming van planten tegen ziekten, schadeveroorzakers en onkruid door bijv. biologische, fysische of chemische maatregelen (vergelijk geïntegreerde gewasbescherming). Of: Het geheel van maatregelen, gericht op het beneden aanvaardbare grenzen houden of brengen van ziekten, plagen en andere schadelijke factoren bij de teelt van gewassen of het beheer van (andere) vegetaties.

Gewasbeschermingsmiddel: Bestrijdingsmiddel, Pesticide: Werkzame stof of mengsel van één of meerdere werkzame stoffen, alsmede micro-organismen en virussen, bestemd om te worden gebruikt om: – planten of plantaardige producten te beschermen tegen organismen of de werking daarvan te voorkomen – levensprocessen van planten te beïnvloeden, voor zover niet zijnde meststoffen in de zin van de Meststoffenwet 1947 of van de Meststoffenwet – plantaardige producten te bewaren – ongewenste planten te doden – delen van planten te vernietigen of een ongewenste groei van planten te remmen of te voorkomen

GGO: Genetisch Gemodificeerde Organismen

Glastuinbouw: Glastuinbouw is een vorm van beschermde teelt waarbij men gebruikmaakt van een kas waarbij glas (of sommige kunststoffen) de barrière vormt tussen de buitenlucht – een oncontroleerbare atmosfeer – en de wel controleerbare lucht in het gebouw. Hierdoor kunnen bloemen, en groenten gekweekt worden onder omstandigheden die gunstig zijn voor die planten.

Glyfosaat: Glyfosaat is een stof die zit in gewasbeschermingsmiddelen. Mensen kennen het onder de merknaam RoundUp, dat ook veel in private tuinen wordt gebruikt. Glyfosaat stopt de groei van ongewenste planten en laat ze afsterven. Dat komt doordat de fotosynthese (Het omzetten van onder meer zonlicht in voedingstoffen) voor de plant, wordt geblokkeerd. Akkers en weilanden die met glyfosaat worden behandeld, kleuren vaak geel of oranje. Dit komt omdat de planten afgestorven zijn en niet door de kleur van het middel zelf. Glyfosaat werkt snel en efficiënt, terwijl het omploegen van land niet altijd leidt tot het gewenste resultaat: namelijk een totale vernietiging van tijdelijk groen. Het middel mag in Nederland door bedrijven alleen op akkerlanden, rond spoorwegen en vliegvelden gebruikt worden. Ook particulieren mogen het middel op kleine schaal inzetten. Glyfosaat doodt geen insecten of bijen, het tast alleen de plant aan.

Good Agricultural Practice (GAP; goed landbouwkundig gebruik): Het nationaal aanbevolen of geregistreerde veilige gebruik van bestrijdingsmiddelen onder relevante omstandigheden tijdens het productieproces, opslag, distributie en verwerking van landbouwproducten om ziekten en plagen effectief en betrouwbaar te bestrijden.

Granulaat: verwerking van een gewasbeschermingsmiddel in de vorm van een vaste korrel.Graslandwoelen: Woelen heeft positieve effecten op de bodemstructuur van grasland. Bodemverdichting onder grasland kan leiden tot een slechtere beworteling, Hierdoor worden meststoffen minder goed benut en dit leidt tot een minder goed functionerend bodemleven, een grotere gevoeligheid voor droogte en een grotere kans op wateroverlast na hevige regenval.

Groeiseizoen: De tijd waarin de gewassen groeien. De lengte van het groeiseizoen is sterk afhankelijk van het klimaat. Zo is in koude gebieden het groeiseizoen beperkt van duur. Hetzelfde geldt voor te droge gebieden. Door menselijk ingrijpen kan het groeiseizoen verlengd worden. Een voorbeeld hiervan is tuinbouw in kassen.

Groeistof: onkruidbestrijdingsmiddel dat gebaseerd is op stoffen die de plant ook zelf vormt en nodig heeft voor zijn groei.

Groeiregulator: Een middel dat aangrijpt op de groei en ontwikkeling van de gewassen.

Groepshuisvesting: Een ruimte in de stal waar dieren in groepen leven.

Grondei: Een ei dat niet in het legnest is gelegd, maar op de grond.

Grondontsmetting: Het behandelen van de bodem volgens een fysisch proces (stomen) of met een chemisch bestrijdingsmiddel om de erin aanwezige schadelijke organismen te doden of ter vermindering en beperking van hun populatieniveau.

Grondwater: Water beneden het grondoppervlak, beperkt tot water beneden de grondwaterspiegel, niet zijnde een schijnspiegel.

Guste koe: Niet-drachtige koe.

Guste zeug: Guste zeugen zijn zeugen waarvan de biggen gespeend zijn, (die dus niet meer zogen) en die ook nog niet drachtig (zwanger) zijn. Deze guste periode duurt maar kort: tussen spenen en weer opnieuw insemineren (zwanger maken) zit een dag of 5-6.

H

Harttak: Een harttak is de vanaf de wortelbasis doorgaande tak. De kiemplant van een boom vormt een eenjarige stengel, die na verhouting verder groeit als harttak. De stam van de boom wordt gevormd door de harttak.

Hechter: stof die aan een bestrijdingsmiddel wordt toegevoegd zodat de werkzame stof goed aan de plant blijft kleven en de regenbestendigheid wordt verhoogd.

Hectare: Een hectare is een oppervlakte eenheid van 10.000 m2

Hellingstal: Stal waarin de ligplaatsen schuin aflopen. Door beweging van de koeien valt de natte mest in de loopgang. Een automatische mestschuif duwt de stromest naar opslagputjes buiten de stal.

Herbicide: Middel gebruikt voor de bestrijding van onkruiden of grassen.

Hoogdrachtige koeien: Koeien die op punt staan af te kalven (zie ook ‘afkalven’)

Horizontale resistentie: resistentie die berust op genen in de waardplant die niet corresponderen met specifieke agressiviteitsgenen van de ziekteverwekker.

Hulpstof: elke stof die in een formulering. aan de werkzame stof(fen) wordt toegevoegd om de bruikbaarheid ervan te verbeteren of bij te dragen tot het bedoelde effect.

I

IKB: IKB is een wereldwijd ketenkwaliteitssysteem. Iedereen die betrokken is bij de productie van IKB (van fok tot verwerking) verstrekken zo garanties over de manier van produceren, zoals de kwaliteit en de herkomst van vee, vlees en eieren. Ook worden eisen gesteld aan voerleveranciers, dierenartsen en andere dienstverleners die ingeschakeld worden (zoals vang- en laadploegen). Er zijn IKB-regelingen voor varkens, kalveren, kip en eieren. Meer informatie op: http://www.ikbnederland.nl/

Imago: volwassen insect

Immuun: onvatbaar

Importstop: Wanneer landen ruzie met elkaar hebben wordt soms een importstop voor een bepaald product afgekondigd. Het is dan een politiek drukmiddel. Een importstop wordt ook afgekondigd wanneer producten uit een bepaald land plagen of ziektes bevatten die men buiten de grenzen wil houden.

Incubatietijd: de tijd die verloopt tussen het begin van een infectie en het zichtbaar worden van de eerste ziekteverschijnselen.

Indicator: Eigenschap of object van een systeem welke informatie geeft over een aantal andere niet afzonderlijk beschouwde eigenschappen of objecten van dat systeem.

Indicatorplant: plant die op karakteristieke wijze reageert op een bepaalde ziekteverwekkende factor en daarom gebruikt wordt om na kunstmatige infectie met een ziekteverwekker de aanwezigheid hiervan aan te tonen.

Inert bestanddeel: bestanddeel van een bestrijdingsmiddel dat op zich geen bestrijdende werking heeft, maar wel een noodzakelijke functie verricht voor de goede werking van het preparaat, bijv. draagstof, hechter.

Infecteren: het tot parasitaire activiteit overgaan van een ziekteverwekkend organisme of virus op of in de waardplant.

Infectie: het begin van vermeerdering van een ziekteverwekkend organisme of virus op of in de plant.

Infectiebron: organisme, of dood of levend deel ervan, of ruimtelijke structuur, van waaruit ziekteverwekkers verspreid worden of zich verspreiden.

Infectiedruk: mate van aanwezig zijn van ziektebronnen van waaruit verspreiding kan plaats hebben.

Initiatieve Tierwohl: Een aantal Nederlandse veehouders doet mee aan het Duitse ‘Initiatieve Tierwohl. In dit dierenwelzijskeurmerk, is er een aantal verplichte eisen waaraan zij moeten voldoen (daglicht, verantwoord antibioticagebruik, water-check, klimaat-check). Daarnaast hebben zij de vrije keuzes voor nog meer dierenwelzijn. Bijvoorbeeld varkens nog meer ruimte geven, extra afleidingsmateriaal, beschikking over ruwvoer. Voor die extra’s krijgen zij ook extra betaald. Duitse supermarkten betalen een vaste opslag bij de inkoop van varkens- en kippenvlees. Deze opslag van al die supermarkten, belandt in één grote pot. Uit die pot worden veehouders betaald voor hun extraatjes bovenop de al geldende regels voor dierenwelzijn. De supermarkten kunnen hun extra betaalde geld, doorberekenen in de vleesprijs. Het is een goed systeem, want de dieren hebben nog meer dierenwelzijn, de boer krijgt voor de maatregelen, die hij neemt, betaald en de consument wordt in de winkel niet belast met een woud aan keurmerken waar hij uit moet kiezen.

Inkuilen: Veel soorten voer kunnen worden ingekuild, maar de meest voorkomende kuilvoeders zijn kuilgras en snijmais. Het geoogste product (bijvoorbeeld gras) wordt verzameld en op een hoop gereden (de “kuilhoop” of “kuil”). Dit gebeurt zo:
• De kuilhoop wordt stevig aangereden met een tractor of een shovel.
• De kuilhoop wordt luchtdicht afgedekt met een of meerdere lagen plastic.
• Om het plastic goed vast te leggen wordt, er langs de randen zand en grond op gereden.
• De kuilhoop wordt afgedekt met ballast zoals autobanden, zandslurven of de gehele kuil wordt met grond of zand bedekt.

Inoculeren: het doelbewust brengen van een ziekteverwekker in of op weefsels van een organisme of op voedingsbodems met het doel infectie tot stand te brengen.

lnoculum: het geen bij het inoculeren wordt gebruikt.

Insecticide: insecten dodend middel, insectenbestrijdingsmiddel.

Inseminatie: Het handmatig, via een spermarietje, inbrengen van zaad van een mannelijk dier bij bijvoorbeeld zeugen, koeien, schapen of geiten. Voordeel van inseminatie is dat een boer geen stier, beer, ram of bok bij de dieren hoeft te laten lopen. Stieren, beren, rammen en bokken kunnen namelijk agressief gedrag vertonen en dit is dus niet zonder gevaar. Een ander voordeel is dat je met inseminatie minder besmettelijke ziektes van dier op dier worden overgebracht. Met inseminatie heeft de boer ook invloed op de genetische eigenschappen van een dier. Vaak wordt zaad gebruikt van de sterkste of beste dieren, qua genetica. Bijvoorbeeld van dieren die robuust zijn, goede moedereigenschappen hebben of een goede groei hebben. Het sperma wordt gewonnen in K.I.-stations, waar de mannetjesdieren een nep-vrouwetjesdier dekken. Een spermavanger, vangt het sperma op dat vervolgens in rietjes wordt gestopt. De rietjes worden verkocht aan de veehouders. Per zaadlozing, kunnen er soms honderden rietjes worden gevuld. De worden vervolgens bevroren in vloeibare stikstof. Bij een temperatuur van min 196 graden Celsius blijft het zaad jaren goed. Het insemineren gebeurt door een inseminator, een dierenarts of door de boer zelf. Die moet dan wel een cursus hebben gevolgd.
Ook in de biologische veehouderij wordt steeds meer geïnsemineerd en steeds meer afwijkende rassen ingekruist om sterkere dieren te krijgen.

Interactie: wisselwerking tussen twee factoren.

Intercellulair: tussen de cellen.

Intracellulair: in de cellen.

In vitro: deze term wordt gebruikt bij onderzoek, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een levend wezen (= in vivo) maar waarbij een reactie zichtbaar wordt gemaakt in bijv. een reageerbuisje of op een glazen schaal.

J

Jongvee: Alles van kalf tot vaars.

K

Kalf: Jong dier van een rund.

K.I.: Kunstmatige inseminatie. (zie ook ‘inseminatie’)

Kiemvrij: steriel.

Klauwbekapper: Iemand die de klauwen van een koe verzorgt. Een soort koeienpedicure dus. Gezonde klauwen bij de koeien zijn van essentieel belang. Net als vele andere aspecten draagt klauwgezondheid bij aan dierenwelzijn en melkproductie. Naast regelmatige voetbaden, aandacht voor de ruwheid van de roosters, komen gespecialiseerde klauwbekappers de koeien verzorgen. Net als pedicures bij mensen.

Klepelen: Klepelen is het fijnmalen van ruige begroeiingen als ruw gras, waarbij het gras na het maaien blijft liggen. De vegetatie wordt klein geslagen. Omdat het natuurlijke afval composteert en achterblijft, vloeien de voedingsstoffen deels weer terug de grond in. Vlinder- en bijenverenigingen zijn tegen klepelen, omdat het ten koste zou gaan van de bodemrijkdom en dus van de bijen.

Koloniehuisvesting: Deze wijze van huisvesting is groter dan de verrijkte kooi. De oppervlakte is 900 vierkante centimeter. Hierdoor zijn er in plaats van 15 dieren per vierkante meter slechts 12,5 dieren. De dieren kunnen een kleine vorm van stofbad nemen en hebben strooisel. Het legnest is afgeschermd met een plastic flap.

Knock-down effect: de directe verdovende invloed van een chemisch bestrijdingsmiddel op een insect na contact met dit middel.

Kolonie: verzameling van individuen (bijv. bacteriën) die dicht opeen op een bepaalde plaats enigszins geïsoleerd voorkomen en zich daar vermeerderen(kolonisatie).

Koppen (bollenteelt): Het met een kopmachine afknippen van de bloemen, zodat er meer energie naar de bol gaat en deze meer groeit. Een kopmachine is een machine met een groot rad die de bloemen naar binnen werkt waarna een messenbalk deze afknipt. De koppen zijn te klein om te verkopen, raken ook flink beschadigd en blijven daarom gewoon tussen de bedden liggen. Daar verteren ze en zorgen zo weer voor voeding voor de bodem.

Koppel: Een groep dieren dat bij elkaar hoort.

Kostprijs: De investeringen die een boer moet doen om zijn product te kunnen leveren. Bijvoorbeeld voer inkopen, of voldoen aan wettelijke regels qua stalinrichting, of het loon dat hij/zij aan een medewerker betaalt.

Kraamstal (varkenshouderij): De stal waar biggen worden geboren, zoals ook een ziekenhuis een speciale afdeling heeft waar baby’s worden geboren. Bij varkens betreft dit een afdeling waar een aantal zeugen naast elkaar liggen en waar zij, door het gebruik van een beschermende kooi om hun heen, tijdelijk beperkte bewegingsvrijheid hebben. Zij liggen niet helemaal vast, maar kunnen niet vrij rondlopen in de stal, zoals ze dat in de vier maanden hiervoor wel konden in de dragende zeugenstal. In de kooi kunnen zij rustig liggen, slapen, maar ook opstaan om te eten of te drinken. De traditionele kraamstal in de varkenshouderij is er speciaal op ingericht dat de zeugen de biggen niet kunnen doodliggen of vertrappelen. Een zeug weegt zo’n 200 kilo en een pasgeboren big 1 kilo. Een zeug merkt het dus niet als zij op haar eigen biggetjes gaat liggen. Om ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk (en liefst alle) biggen de kraamperiode overleven, is deze constructie bedacht. De boer realiseert zich dat mensen zo’n kraamhok niet echt een leuk gezicht vinden, maar om de biggen veilig te houden, is het wel nodig. In de biologische varkenshouderij wordt ook een stang gebruikt om te voorkomen dat biggen worden ‘doodgelegen’, maar de zeug heeft daar wel meer bewegingsvrijheid. Dit leidt er wel toe dat in de biologische varkenshouderij de biggensterfte door doodliggen, hoger is dan in de gangbare varkenshouderij.

Kruisresistentie: Resistentie van een organisme tegen een bepaald bestrijdingsmiddel die tevens optreedt tegen andere, meestal verwante bestrijdingsmiddelen.

Kuilgras: Gras dat in de zomer is gemaaid en is opgeslagen in de ‘kuil’ om later (in de winter) aan de koeien op stal te voeren. (zie ook ‘inkuilen’)

Kwartier: Bij de koe is de uier verdeeld in 4 delen, kwartieren genoemd. Ieder kwartier heeft een eigen speen.

L

Lammertijd: Periode waarin lammeren geboren worden. Dit is niet per se in de lente. Schapen en geiten hebben bijvoorbeeld een dracht van ongeveer 5 maanden. De lammeren worden geboren 5 maanden na inseminatie of 5 maanden dat de bok of de ram bij de geit of ooi is geweest. De piek van de lammerperiode ligt meestal tussen januari en mei.

Larve: het jeugdstadium van een insect.

Larvicide: larve dodend middel, larvenbestrijdingsmiddel.

Latente infectie: infectie waarbij de gastheer geen zichtbare ziekteverschijnselen vertoont.

Latentieperiode: periode waarin een virus na inoculatie of infectie in een plant nog niet aantoonbaar is. periode tussen het tijdstip van opnemen van het virus door een vector en het tijdstip waarop de vector het virus afgeeft.

Lesie: min of meer scherp begrensde verwonding of beschadiging van beperkte omvang.

Lethale concentratie: hoeveelheid bestrijdingsmiddel in water die dodelijk is voor een bepaald organisme. De hoeveelheid wordt uitgedrukt in milligrammen per liter water. De LC50 is de dosis van een werkzame stof in mg/l lucht die bij een éénmalige inname via de ademhaling 50 % van de populatie doodt.

Lethale dosis: hoeveelheid bestrijdingsmiddel die dodelijk is voor een bepaald organisme. De hoeveelheid wordt uitgedrukt in mg per kg lichaamsgewicht van het organisme. De LD50 is de dosis van een werkzame stof in mg/kg levend gewicht die bij een éénmalige inname via de mond of huid 50% van de populatie doodt.

Lezen (lelies): Zieke, beschadigde bollen en lelies zonder wortels uit de bollen sorteren.

Liggenblijver: Een kuiken dat niet uit het ei gekomen is. Dit kan zijn omdat het ei bijvoorbeeld niet bevrucht is. Soms is hij helemaal niet bevrucht en is het gewoon een ei. Maar het kan ook zijn dat het kuiken vroeg of laat is afgestorven. Dan zie je soms een embryo maar soms ook al een volgroeid kuiken.

Lichtvervuiling: Lichtvervuiling is de verhoogde helderheid van de nachtelijke omgeving door gebruik van kunstlicht. Lichthinder is de overlast die mensen en dieren hiervan ondervinden.

Ligboxen: Een ligbox is een langwerpige ruimte waar een koe in ligt, om te rusten en te herkauwen, met aan beide zijden een boxafscheiding, een hek van een 5 cm dikke buis die in allerlei vormen gebogen kan zijn. De diverse vormen hebben voordelen voor het comfort van de koe, zodat de koe zo min mogelijk hinder ondervindt van het hek tijdens het rusten, gaan liggen en weer opstaan.

Lokale symptomen: symptomen die optreden daar waar de ziekteverwekker op of in de plant is aangebracht.

Lokmiddel: bestrijdingsmiddel dat behalve het dodende, werkzame bestanddeel een lokstof bevat.

Lokplant: plant of plantensoort die aaltjes aanlokt zonder ze de mogelijkheid tot voeding en ontwikkeling te bieden, zodat ze te gronde gaan.

Lokstof: stof die de eigenschap heeft bepaalde organismen aan te trekken. De werking van de stof kan bij insecten berusten op stimulering van het voedsel zoekgedrag maar ook van het seksueel gedrag (sexlokstof).

Loofdoodmiddel: middel, te gebruiken om loof (bladeren en stengels) van kruidachtige gewassen te doden voor het vergemakkelijken van de oogst of om de overgang van ziekteverwekkers, naar ondergrondse delen te voorkomen of om bijv. het stuk groeien van tulpenbollen te voorkomen.

Luchtwasser: Een luchtwasser wordt in de veehouderij gebruikt om de uitstoot van gevaarlijke stoffen en/of stoffen die het milieu aantasten te verminderen. Er bestaan chemische en biologische luchtwassers. Ook zijn er combi-luchtwassers, die verschillende systemen van uitstoot verminderende technieken combineren. Chemische luchtwassers verminderen alleen de uitstoot van ammoniak en (fijn)stof, terwijl biologische luchtwassers ook andere stoffen dan ammoniak reduceren.

M

Made: larve van een vlieg of van een mug.

Maskering: het afwezig zijn van symptomen als gevolg van uitwendige of inwendige omstandigheden.

Meeldauw: Een dunne, oppervlakkige schimmelaantasting van planten waarbij op diverse plantendelen een wit of grijs schimmelpluis gevormd wordt.

Membraam: vlies.

Meristeem: plantenweefsel met erg veel delende cellen. Hier vindt de groei plaats.

Meristeerncultuur: techniek waarbij enkele virusvrije cellen uit het groeipunt van planten worden gebruikt voor het verkrijgen van nieuwe virusvrije planten.

Meststoffen: middelen ter bevordering van de groei van planten

Metaboliet: Omzettingsproduct van een chemisch bestrijdingsmiddel.

Marktgedreven: Inspelend op de vraag vanuit de markt. Dus niet maar zo produceren, maar alleen daar waar behoefte naar is.

Melkmonster: Een buisje melk per koe wordt maandelijks onderzocht om te bepalen wat de gehalten aan vet, eiwit en lactose (melksuiker) zijn en hoe het gesteld is met de gezondheid van het uier.

Milieukeur: Milieukeur is een keurmerk wat uitgaat van een integrale benadering bij de verduurzaming van productieprocessen, waarbij een zorgvuldige afweging wordt gemaakt tussen de verschillende duurzaamheidsthema’s. Dit keurmerk heet nu ‘On the way to PlanetProof.

Milieu: Water, bodem, lucht en wilde soorten van dieren en planten alsmede hun onderlinge relatie en hun relatie met levende organismen.

Minimale afgiftetijd: periode, gedurende welke de vector zich ten minste op de infectiebron moet voeden om het virus op te nemen.

Misvorming: afwijking in vorm en bouw van delen van de plant of van de gehele plant.

Moederdieren (pluimvee): De kip die de eieren legt waar de kuikens uitkomen die verder opgroeien tot vleeskip of leghen.

Molluskicide: slakken dodende. stof, chemisch slakkenbestrijdingsmiddel.

Monocotyl: eenzaadlobbig.

Mono-cultuur: Het op hetzelfde stuk grond elk jaar hetzelfde gewas telen. Bekende voorbeelden van mono-cultuur zijn palmolie- en bananenplantages. In Nederland zijn voorbeelden van mono-culturen bijvoorbeeld maïs of grasteelt. Hoewel veel boeren ook deze gewassen afwisselen met andere gewassen.

MRL (Maximum Residu Level, maximale residulimiet): maximale hoeveelheid van een bepaalde werkzame stof die in een bepaald gewas aanwezig mag zijn met toepassing van de goede landbouwpraktijken, uitgedrukt in mg/kg gewas, zodat de uiteindelijke opname van die bepaalde werkzame stof via alle voedingsmiddelen die deze werkzame stof kunnen bevatten, de ADI -waarde niet overschrijdt;

Mycelium: het geheel van schimmeldraden, schimmelweefsel.

Mycoplasma: kleinste eencellig organisme met zowel DNA als RNA, omgeven door een dubbel membraan zonder harde celwand, zoals bij bacteriën.

Mycotoxine: Door schimmels geproduceerd toxine.

Myzel: totaal aan schimmeldraden waarmee de schimmel bijv. een plant kan overwoekeren.

N

Nateelt: Nateelt is een gewas dat je na de hoofdteelt in hetzelfde jaar zaait of plant op je perceel. Nateelt is ook de opbrengst van wortels of knollen (bijvoorbeeld pootaardappelen) die in de volgende generatie van een gewas wordt behaald.

Natura 2000 gebied: Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie.

Natuurlijke vijanden: Natuurlijke vijanden (insecten) worden ingezet om plagen te bestrijden. De natuurlijke vijand bestrijdt de schadelijke plaag, zonder verdere schade aan te brengen aan het gewas.

Necrose: het afsterven of afgestorven zijn van cellen, weefsels, organen of delen van het organisme.

Necrotisch: afgestorven.

Nematicide: Middel gebruikt ter bestrijding van aaltjes

Nematoden: Een andere naam voor aaltjes. Zie ook Aaltjes.

Nestgedrag (varkens): Wanneer een zeug bijna gaat werpen, vertoont ze nestgedrag. Ze wil dan een plekje maken voor haar en haar biggen. Varkenshouders gebruiken in toenemende mate jute zakken, die de zeug als nestmateriaal gebruikt. De biggen liggen daar graag op, omdat het de geur van de moeder heeft. Jutezakken worden ook gebruikt als speelmateriaal voor varkens.

Nevenwerking: effect van bestrijdingsmiddel of omzetting-product daarvan naast het bedoelde effect.

Nippellijn: Waterdruppelaars waar de kuikens uit kunnen drinken.

NOAEL (No Observed Adverse Effect Level): de dosis van een werkzame stof van een gewasbeschermingsmiddel, uitgedrukt in mg/kg lichaamsgewicht/dag, bepaald na toxicologische testen op proefdieren zonder dat er nadelige gevolgen konden vastgesteld worden;

Non-persistent virus: virus dat bij de overdracht door een vector bij aanprikken van een geïnfecteerde plant direct opgenomen en daarna direct weer afgegeven kan worden, maar waarbij het vermogen tot virusafgifte snel verloren gaat. Zie ook: persistent virus.

Nuka: Nuchter kalf van ongeveer 1 week oud dat alleen met biest is gevoed.

Nultolerantie: De eis dat een bepaald organisme in geen geval in een gewas of product mag voorkomen.

NVWA: Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. De NVWA houdt de veiligheid van ons voedsel in de gaten. Daarvoor zijn wetten en regels opgesteld. De NVWA controleert of bedrijven die zich met eten bezig houden, zich aan de wetten en regels houden. De NVWA is ontstaan uit een fusie van de Voedsel en Waren Autoriteit (voorheen de Keuringsdienst van Waren), de Algemene Inspectiedienst (AID) en de Plantenziektenkundige Dienst (PD). De NVWA valt onder het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Zij controleren boeren bijvoorbeeld op het nakomen van de dierenwelzijns- en diergezondheidsregels. Wanneer boeren niet aan de regels voldoen, kunnen zij een boete krijgen. Bij ernstige of herhaalde overtredingen kunnen bedrijven zelfs (tijdelijk) worden gesloten of geblokkeerd. Als een bedrijf is geblokkeerd, mogen er geen dieren worden aan- of afgevoerd.

Nymfe: larvestadium van bladluizen en mijten.

O

Obligate parasiet: parasiet die zich onder natuurlijke omstandigheden uitsluitend op levend materiaal kan ontwikkelen.

Omweiden: Als een boer de koeien in een ander stuk wei laat lopen, spreken we van omweiden. Door middel van omweiden zorg je ervoor dat op het moment dat eventuele wormeieren in de mest zich hebben ontwikkeld tot infectieuze larven, de koeien niet meer op het perceel aanwezig zijn.

Onderkruip: Boven het lignest van biggen zit een klep. Dit is een onderkruip en is bedoeld om warmte in het nest te houden. Met de onderkruip kunnen de biggen zich prima zelf warm houden.

Ongevoeligheid: vatbaarheid zonder vorming van ziekteverschijnselen.

Ontsmetten: het ontdoen van planten, plantenmateriaal of zaden van daarop aanwezige micro-organismen, virussen of kleine dierlijke organismen.

Onverzadigde fase van de grond: Deel van de grond boven de grondwaterspiegel, waarin de poriën zowel water als lucht bevatten.

Oornummer: De gele clipjes of labels in het oor van bijvoorbeeld koeien, geiten of varkens. In Nederland is een oormerk voor veehouderij verplicht. Op een oormerk staan verschillende gegevens, waardoor de overheid kan zien waar een dier is geboren. Veranderingen in het aantal dieren, de verblijfplaats en de verplaatsingen in of buiten Nederland worden in het Identificatie & Registratiesysteem (I&R) bijgehouden. De overheid wil weten waar dieren zich bevinden, omdat zij dan bijvoorbeeld in geval van een dierziekte uitbrak snel kunnen traceren waar dieren zijn. Op deze manier kan verspreiding van een dierziekte worden voorkomen.

Open teelt: Teelt van een gewas in de volle grond waarbij het klimaat niet kan worden beïnvloed.

Opfrezen: Door aardappelruggen op te frezen, de rugopbouw, krijgen gepote aardappels meer ruimte om te groeien, waardoor ook zoveel mogelijk het vormen van groene aardappels wordt voorkomen.

Opruggen: Door gewassen te zaaien op ruggen wordt de bodemoppervlakte aanzienlijk vergroot. Dat heeft als voordeel dat er vooral in het voorjaar meer warmte in de grond komt en minerlaen makkelijker beschikbaar komen. Verder stop je met opruggen de laatste onkruidjes onder de grond.

Organische stof: Organische stof is biologisch materiaal dat bestaat uit dood weefsel en uit uitscheidingen van micro-organismen en wordt bijvoorbeeld geleverd door plantenwortels, bladeren (in de natuur), graanstoppels, stalmest (in de landbouw).

Organisme: één- of meercellige biologische eenheid van gedifferentieerde bouw met afzonderlijke organellen of organen die in onderlinge samenhang en afhankelijkheid functioneren, en met het vermogen om zichzelf te vermeerderen en zich erfelijk aan veranderende omstandigheden aan te passen.

Os: Gecastreerde stier.

Overgevoeligheid: vermogen van een plant zo hevig te reageren op infectie door parasiet of virus dat lokale afstervingsverschijnselen optreden, waardoor ook de parasiet of virus ten gronde gaat.

Ovicide: ei dodend middel.

Ovo- larvicide: ei dodend en larve dodend middel.

P

Parasiet: plantaardig of dierlijk organisme dat tijdelijk of blijvend leeft in of in nauwe gemeenschap met plant (= gastheer) aan de weefsels waarvan het zijn voedsel geheel of gedeeltelijk onttrekt.

Parasitisme: Samenlevingsvorm die voor één van de partners schadelijk is.

Parasitair: levend als parasiet. veroorzaakt door een parasiet.

Parthenogenese: voortplanting zonder bevruchting door een mannetje.

Passieve resistentie: resistentie die berust op het bestaan van mechanische of chemische, niet specifiek op de ziekteverwekker gerichte, barrières.

Para-tbc: Paratuberculose of paratbc is een besmettelijke ziekte die wordt veroorzaakt door een bacterie. Na een infectie ontstaat bij runderen een ongeneeslijke darmontsteking. Een beperkt deel van de zieke dieren vertoont de ziekte verschijnselen. Voor de bestrijding van de ziekte is hygiëne de belangrijkste factor.

Pathogeen: ziekteverwekker; organisme of virus dat in staat is ziekte te verwekken.

Pathogeniteit: vermogen van parasiet of virus om in gastheer ziekteverschijnselen te doen ontstaan.

Pathotype: zie biotype.

PBB: Periodieke Bedrijfsbegeiding. Een PBB is er voor om aan te tonen dat het vee gezond is. Tijdens een PBB worden eventuele vaccinaties gedaan en worden alle dieren nagelopen op gezondheid. Daarnaast is er aandacht voor productie en voeding, uier- en klauwgezondheid. Het besprokene wordt vastgelegd in een dossier.

Pensverzuring: Pensverzuring ontstaat wanneer het evenwicht in de pens van een koe verstoord raakt. Vooral het rantsoen voor koeien die veel melk geven, bevat veel snel verteerbare energie (krachtvoer). Daardoor hoeven koeien minder te herkauwen en produceren ze ook minder speeksel. Deze koeien krijgen al vrij snel last van pensproblemen.

Perceel: Een begrensd stuk cultuurgrond waarvan de grondwaterspiegel de ondergrens vormt. Deze wordt in het toelatingsbeleid geacht te liggen op 1 m beneden het maaiveld

Perenbladvlo: Eén van de belangrijkste plaaginsecten in peer. De plaag kan zich zeer snel uitbreiden en grote schade veroorzaken in peren. Aantasting door perenbladvlo is meestal gemakkelijk te voelen aan het plakkerig zijn van jonge scheuten als gevolg van de productie van honingdauw door de larven.

Perithecium: vruchtlichaam van een schimmel.

Persistent virus: virus dat bij overdracht door een vector hierin eerst een latentieperiode moet doormaken alvorens te kunnen worden afgegeven, maar dat dan gedurende lange tijd of zelfs de gehele verdere levensduur van de vector kan worden afgegeven.

Persistentie: persistent middel: middel dat gedurende langere tijd onveranderd (bijv. in grond) aanwezig blijft en niet wordt afgebroken.

Pesticide: bestrijdingsmiddel.

Phytophthora (spreek uit als Fietoftora): Schimmelziekte bij aardappelen, die complete oogsten kan laten mislukken.

Pink: Eenjarig kalf.

Plaag: schadelijke grote populatie van insecten of andere planten beschadigende dieren en de erdoor veroorzaakte schade.

Planten: Levende planten en levende delen van planten met inbegrip van vers fruit en zaden.

Planticiperen (planticipeerde, heeft geplanticipeerd): teelttechnisch vooruitlopen (op): anticiperen op wisselende groeiomstandigheden van de plant ter bevordering van een optimale en duurzame opbrengst.

PNEC (Predicted No Effect Concentration): maximale waarde van een werkzame stof in oppervlaktewater waarbij geen gevaar bestaat voor chronische toxiciteit voor een aantal indicatororganismen zoals vissen, kleine kreeftachtigen en algen;

Pop: insect dat verkeert in het stadium tussen de voorlaatste en de laatste vervelling waarbij volledige gedaantewisseling plaatsvindt.

Predator: roofvijand.

Predispositie: omstandigheid die de mate van aantasting door parasieten, virussen verergert of het effect van bestrijdingsmiddelen bevordert.

Predatie: Het opeten van de ene diersoort door de andere

Pre-emergence: onkruidbestrijding, uitgevoerd na het zaaien en voor het opkomen van een gewas.

Preventief: voorbehoedend.

Primair ziek: hoofdzakelijk bij vegetatieve vermeerdering gebruikte aanduiding dat de plant ziek is door infectie opgelopen na de vermeerdering.

PRRS: Porcine Reproductive and Respiratory Syndrome. Een virusziekte bij varkens, die wordt gekenmerkt door vruchtbaarheids- en luchtwegproblemen.

Propaankoeling: Het gas propaan wordt gebruikt als koelmiddel om zo chemische koelmiddelen te vervangen met een negatieve impact op het broeikaseffect.

Pseudothecium: vruchtlichaam van een schimmel.

PSE-vlees: Bleek en waterig vlees door een te lage pH-waarde als gevolg van stress bij een dier.

Pycnide: vruchtlichaam van een schimmel.

R

Rantsoen: Een rantsoen is de hoeveelheid en soort voedsel wat dagelijks aan de dieren wordt verstrekt. Dit is perfect afgestemd op de omstandigheden en het dier zelf en meestal zelfs individueel per dier via automatische voerboxen.

Repellent: zie afweermiddel

Residu: restant van een bestrijdingsmiddel op het behandelde object.

Resistentie: Het ongevoelig worden van bijvoorbeeld bacteriën tegen bepaalde middelen.

Rhizoctonia: Schimmelziekte bij aardappelen.

RMO: Rijdende Melk Ontvangst, oftewel de vrachtwagen van de melkfabriek die de melk bij boeren komt ophalen.

Rodenticide: Middel gebruikt voor de bestrijding van knaagdieren.

Ronde: De periode waarin dieren op een boerderij zijn. Deze term wordt vooral gebruikt in de pluimveehouderij, omdat daar de dieren na een bepaalde periode in één keer weg gaan, waarna er, na het schoonmaken en ontsmetten van de stal, in een keer weer nieuwe dieren komen.

Roofvijand: dierlijk organisme dat zich voedt met een bepaalde, niet veel grotere of kleinere diersoort. Het organisme ontwikkelt zich niet in het slachtoffer.

Rose kalf: Een kalf dat wordt gehouden voor het vlees, van maximaal acht maanden dat na een periode van melk alleen nog ruwvoer heeft gegeten. Er bestaan ook oud-rose kalveren. Dit zijn vleeskalveren tussen de 8 en 12 maanden die ruwvoer hebben gegeten.

Ruwvoer: Voer dat bestaat uit gras, hooi of snijmaïs.

S

Salmonella: Salmonella is een bacterie die veel voorkomt in dieren, vooral in pluimvee en varkens. De bacterie leeft vooral in de darm van zulke dieren, maar kan via de ontlasting bijna overal voorkomen. Het is een bekende en beruchte ziekmakende bacterie. Salmonella kan voorkomen in rauwe dierlijke producten, zoals vlees, vis en eieren, en op rauwe groente, kiemgroente en fruit. Kinderen tot 5 jaar, zwangere vrouwen, zieken en bejaarden worden sneller ziek na een besmetting. De kans bestaat dat zij een vochttekort oplopen. Door hygiënisch te werken kan besmetting voorkomen worden. Bak vlees door en door gaar en was groente en fruit onder stromend water. Vooral na het aanraken van rauw vlees, is het belangrijk om handen goed te wassen.

Saprofaag: levend van dood organisch materiaal.

Saprofyt: plantaardig organisme dat leeft van dood of rottend organisch materiaal.

Scannen: Scannen is te vergelijken met een echo bij zwangere vrouwen. Met een echo-apparaat dat over de buik van het vrouwelijke dier wordt gewreven kan een boer, of een dierenarts zien of de eitjes zijn bevrucht en er embryo’s in de baarmoeder zitten.

Schade: het nadelig economisch effekt van een beschadiging of ziekte.

Schadedrempel: Populatiedichtheid van een pathogeen, waarbij onaanvaardbare schade aan het gewas gaat optreden.

Schadeveroorzaker: verzamelterm voor organismen die door hun leefwijze bijv. planten beschadigen. Het zijn o.a. schimmel- of virusziekten of dierlijke schadeveroorzakers zoals insecten en slakken.

Schudden: Na het maaien, wordt gras geschud. Is het gras zover droog dat het geschikt is voor de wintervoorraad, dan kan het bij elkaar geharkt worden op lange rijen.

Schijnresistentie: onder natuurlijke omstandigheden optredende resistentie (veldresistentie) omdat de ontwikkelingsstadia van de gastheer en de ziekteverwekker die voor het tot stand komen van infectie en ziekte noodzakelijk zijn niet voldoende gelijktijdig samenvallen.

Sclerotium: hard rustlichaam van een schimmel dat bestand is tegen ongunstige omstandigheden, dat lang in leven kan blijven en bij gunstige toestanden weer kan kiemen. Het bestaat uit compact mycelium waartussen zich veelal wandjes bevinden.

Secundair ziek: plant of gewas is ziek door infectie vanuit het zaad, poot- of plantgoed (= secundaire aantasting).

Secundaire plaag: Plaag welke pas optreedt nadat een gewas verzwakt is door een primaire plaag of abiotische factoren; organismen die uitgroeien tot een plaag na uitschakeling van de natuurlijke vijanden door toepassing van bestrijdingsmiddelen.

Selectief middel: 1: Middel dat bij oordeelkundig gebruik uitsluitend effect heeft op één schadelijk organisme of groep van schadelijke organismen, en nuttige organismen spaart. 2.(onkruidkunde) chemisch bestrijdingsmiddel dat bij oordeelkundig gebruik het gewas spaart en het onkruid bestrijdt.

Sensor: Kalveren hebben een halsband met sensor om de nek voor de herkenning bij drinkautomaten. Koeien hebben een halsband om met sensor voor de herkenning in de melkstal of melkrobot, tochtdetectie en automatische voerboxen. Zo krijgt ieder dier de juiste hoeveelheid voer verstrekt.

Serologie: wetenschap van de specifieke reacties in vitro tussen antigenen en de erbij passende antilichamen.

Sex feromoon: lokstof die door het ene geslacht wordt afgescheiden om het andere aan te trekken.

Slachtrijp: Een dier is slachtrijp wanneer het een bepaald gewicht of een bepaalde leeftijd heeft bereikt. Deze term wordt gebruikt voor dieren die voor het vlees worden gefokt. Bij varkens is dit bijvoorbeeld op een bepaald gewicht (100-120 kg), bij rosé vleeskalveren rond 8 maanden en bij vleeskuikens tussen de 42 en 56 dagen, afhankelijk van het type veehouderij.

Smetstof: materiaal van micro-organisme of virus dat in staat is een besmettelijke ziekte te veroorzaken.

Smetstofdrager: organisme dat geen of nauwelijks ziekteverschijnselen vertoont maar wel als besmettingsbron kan fungeren.

Spaceboarding: Aangezien de wind dient gebroken te zijn om tocht in de stal te voorkomen moet de inlaat (en uitlaat) voorzien worden van een systeem om de windsnelheid bij binnenwaaien te reduceren. Dit kan worden gedaan met space-boarding, houten latten met een open tussenruimte.

Spenen (koe): Spenen zijn de tepels bij een koe. Een koe heeft vier spenen
(Zie voor de andere betekenis van spenen onder ‘gespeende biggen’)

Spenen (varkens): Zie ‘Gespeende biggen’.

Spore: de voortplantingseenheid van schimmels. Deze gedraagt zich als een zaadje.

Sporulatieduur: periode gedurende welke een schimmel infectie sporen vormt.

Spuitkorrel: in water oplosbaar granulaat

Spuitmiddel: bereiding van een gewasbeschermingsmiddel als in water oplosbare vloeistof.

Spuitpoeder: bereiding van een gewasbeschermingsmiddel als in water oplosbaar poeder.

Spuitvloeistof: voor de toepassing in water opgelost spuitmiddel, spuitpoeder of granulaat

Spuiwater: Spuiwater blijft over uit luchtwassers bij bijvoorbeeld varkenshouderijen. Het gebruik van luchtwassystemen vermindert de uitstoot van fijnstof, ammoniak en geur in de intensieve veehouderij. Spuiwater is een reststof die in sommige gevallen als meststof wordt gebruikt, bijvoorbeeld in de fruitteelt.

Staartbijten: Staartbijten komt in de meeste Europese landen voor bij 0,6 tot 5 procent van de varkens. Staartbijten komt ook voor bij varkens die biologisch worden gehouden. Er is zowel in Nederland als in het buitenland veel onderzoek gedaan naar het voorkomen en de bestrijding van staartbijten. Bij deze problematiek speelt een aantal factoren een rol: klimaat, genetica, water- en voersamenstelling en de manier van aanbieden, het afwezig zijn van ziekten, huisvesting en de kennis en ervaring van de verzorgers. Zelfs in een zeer gecontroleerde omgeving waar aan alles wordt voldaan

Stam: variant van een micro-organisme of virus, door de mens gekweekt of in stand gehouden.

Stammoeder: bij bladluizen het vrouwtje dat in het voorjaar uit het ei komt en zorgt voor een reeks van nakomelingen.

Sta-reflex: Een sta-reflex komt voor bij vrouwelijke dieren die bronstig (zeugen) of tochtig (koeien) zijn. Als een vrouwelijk dier de sta-reflex vertoont gaan haar oren gaan naar achteren staan en blijft ze stokstijf staan. Dit is een teken dat zij bevrucht kan worden. Als een zeug deze reflex heeft getoond, wordt ze normaal gesproken 24 uur later geïnsemineerd. De sta-reflex is een natuurlijke reflex. Deze reflex wordt geheel en spontaan door de afgifte van hormonen in de bloedbaan van het vrouwelijke dier aangestuurd.

Steriel: 1: Onvruchtbaar. 2. Kiemvrij, vrij van levende micro-organismen en hun levensvatbare sporen.

Steriliseren: 1: Onvruchtbaar maken. 2. Volledig vrij maken van micro-organismen, zowel in- als uitwendig.

Stier: Mannelijk rund.

Stof: Chemisch element of verbinding daarvan, zoals dat of zoals deze in de natuur voorkomt of industrieel wordt vervaardigd, met inbegrip van verontreinigingen die onvermijdelijk bij het fabricageproces ontstaan.

Strijken: Tot begin augustus staat uienloof nog rechtop, maar daarna gaat het loof hangen. Dit heet ‘strijken’.

Stripgrazen: Bij stripgrazen worden de dieren elke dag of meerdere malen per dag verweid naar een vers stuk grasland. Hierdoor wordt de voeropname door het dier geoptimaliseerd. Via een verplaatsbare afrastering wordt elke keer een vers stuk gras vrijgegeven.

Strooisel: Laag, of laagje op de bodem van een stal bestaande uit bijvoorbeeld houtkrullen, (fijngemalen) stro of zaagsel.

Stropotten: Hokken waar dieren op stro staan.

Stuifpoeder: poeder dat met een luchtstroom wordt verstoven.

Substraat: Kunstmatige bodem, bijvoorbeeld steenwol.

Suspensie: vloeistof waar het in water slecht oplosbare bestrijdingsmiddel zich in fijn verdeelde toestand bevindt. Dit heeft betrekking op poedervormige middelen.

Symbiose: het samenleven van ongelijksoortige organismentot wederzijds voordeel.

Symptoom: Ziekteverschijnsel. zichtbare of op andere wijze waarneembare afwijking ontstaan ten gevolge van aantasting.

Symptoomloze infectie: latente infectie: infectie waarbij de waard niet met symptomen reageert.

Synergisme: samenwerking van factoren waarbij het effect groter is dan de som van de effecten van elke factor afzonderlijk.

Synthese: het in elkaar zetten van iets, bijv. het langs scheikundige weg maken van een bepaalde stof.

Systeem: Verzameling van objecten tezamen met relaties tussen de objecten en hun eigenschappen een samenhangend geheel vormend.

Systernisch: 1.(van een pathogeen) door de gehele plant voorkomend. 2. (van bestrijdingsmiddel en groeiregulator) via wortels. blad e.d. in de plant opgenomen en naar elders getransporteerd. 3. (van symptomen) optreden op andere plaatsen dan waar pathogeen de plant is binnengekomen.

Systemisch bestrijdingsmiddel: chemisch bestrijdingsmiddel waarvan de werkzame stof door de plant via het vaatbundelsysteem wordt verplaatst en hierna zijn werking uitoefent.

T

Tagetes: Tagetes, zijn in de volksmond beter bekend als Afrikaantjes. Deze bestrijden helaas geen aardappelmoeheid. Tagetes bestrijden wel bepaalde vrijlevende alen, maar vermeerderen weer andere soorten. Dat maakt alenbestrijding erg complex.

Talpicide: Middel gebruikt voor de bestrijding van mollen (en woelratten)

TMDI (Theoretisch Maximale Dagelijkse Inname): ADI (Aanvaardbare Dagelijkse Inname): hoeveelheid werkzame stof uitgedrukt in mg/kg lichaamsgewicht/dag, die een persoon kan opnemen zonder enig gevaar na inbouw van een veiligheidsfactor (tenminste één honderste van de NOAEL-waarde);

Tochten: Een tocht is een watergang, een grote sloot

Tochtig: Als een koe vruchtbaar is, dan noem je dat ‘tochtig’. Een koe is ongeveer vanaf 8 maanden oud, volwassen genoeg om een kalf te kunnen krijgen. Dat wordt ‘geslachtsrijp’ genoemd. Koeien worden om de 3 weken vruchtbaar. De eisprong van één of enkele eitjes vindt aan het eind van deze periode plaats. Deze periode duurt meestal minder dan een dag en soms maar enkele uren. Wie zijn koeien op het juiste moment wil laten dekken of insemineren, moet dus goed opletten. Als een boer kiest voor natuurlijke bevruchting, dus met een stier die tussen de koeien loopt, is de bronst makkelijker te herkennen. De stier ziet al voor de bronst dat een koe vruchtbaar wordt. Hij loopt voortdurend achter zo’n koe aan (en omgekeerd) en likt haar schede. Tochtige koeien bespringen elkaar ook vaak.

Toetssortiment: groep planten, waarmee identiteit van een parasiet of virus kan worden vastgesteld.

Tolerantie: Beperkte gevoeligheid van een gewas om door een pathogeen te worden aangetast.

Toom: Biggen van 1 worp.

Toxiciteit (giftigheid): Het vermogen van een chemische stof om een toxisch (schadelijk) effect te veroorzaken in een levend wezen bij een bepaalde concentratie.

Toxicologie: Wetenschap die zich bezig houdt met de schadelijke werking van chemische stoffen in levende organismen.

Toxicologische groep: indeling van bestrijdingsmiddelen naar de aard van de vergiftiging die ze bij de mens veroorzaken. Dit gegeven is belangrijk voor een arts.

Truck-cooking: Het ‘koken’ van een veetransportwagen om deze te ontdoen van alle eventuele ziektekiemen, bacteriën en virussen.

U

UBN: Uniek Bedrijfsnummer. Elk veebedrijf is verplicht zo’n nummer te hebben.

Uitspoeling: Het verplaatsen van het middel vanuit de bouwvoor naar het grondwater in diepere lagen in de bodem.

Uitval: Het sterven van dieren in de veehouderij.

Ureum: Ureum is een afvalproduct bij de eiwitstofwisseling in de lever. Het ureum in combinatie met het percentage eiwit laat zien of het voer van de dieren goed door de magen verteerd wordt.

V

Vaarskalf: Vrouwtjeskalf. Tot haar tweede kalf blijft ze vaars heten.

Vaccineren/enten: Vaccineren is door middel van een kleine injectie, of sprayen van entstof het dier een klein beetje besmetten waardoor ze antistoffen maken tegen bepaalde ziektes.

Vangbak: bak met dikke vloeistof voor de signalering van bladluizen in pootaardappelen

Vangplaat: gekleurde kleefplaat voor het signaleren van insecten

Vangplant: plant die wordt gebruikt om een in de natuur voorkomende parasiet of virus door blootstelling aan natuurlijke infectie in handen te krijgen, door het later uit deze plant te isoleren.

Vatbaarheid: mate waarin de ziekteverwekker kan binnendringen en zich in de plant kan vermeerderen.

Vector: organisme dat een parasiet of virus kan overbrengen en wel zodanig dat infectie volgt.

Veiligheidstermijn: wettelijk verplichte termijn die minimaal aangehouden dient te worden tussen de laatste toediening van een chemisch bestrijdingsmiddel en oogst of consumptie.

Verblijfsduur, persistentie: periode waarin de werkzame stof van een chemisch bestrijdingsmiddel in een organisme of in het milieu al of niet actief aanwezig blijft.

Vergister: De vergister is een gasdichte, geïsoleerde, verwarmde en geroerde tank, waarin vergistingsgas wordt gevormd uit mest of ander organisch restmateriaal. Dit gas noemen we biogas.

Verleggen: Als er veel verschil is tussen de biggen van één toom, dan worden biggen verlegd, dus eigenlijk, verdeeld over de diverse moeders. Dit gebeurt om een toom uniformer te maken. Grotere biggen bij elkaar, kleinere bij elkaar. Zo hebben de kleintjes meer kans op goede start. Ook als een zeug meer biggen heeft dan spenen (14-16) worden biggetjes bij een zeug gelegd die minder biggen heeft.

Vermeerderaar (kip): Bij de vermeerderaar worden de hennen door de hanen bevrucht. De eieren die deze hennen leggen noemen we broedeieren. Deze komen niet in de winkels terecht, maar gaan naar de broederij. Daaruit komen nieuwe kuikens.

Vernevelen: het zeer fijn in de lucht boven en rondom het gewas verdelen van een onverdund of in weinig water opgelost bestrijdingsmiddel.

Verreiker: Een verreiker is een voertuig dat gebouwd is om zware lasten te tillen en te verplaatsen. Verreikers worden gebruikt voor agrarische, industriële en infrastructuurbouw-doeleinden.

Verrijkte kooi: Verrijkte kooien zijn de opvolger van de legbatterij en zijn alleen toegestaan als deze al voor 2008 zijn gebouwd. Hier hebben de hennen 750 cm2 per dier tot hun beschikking. Verder zijn een zitstok, een legnest en een scharrelmat aanwezig. De verrijkte kooi wordt in 2021 in Nederland verboden. De minimumnorm voor het houden van kippen, wordt dan koloniehuisvesting (zie ‘koloniehuisvesting’).

Verse koe: Koe die net heeft gekalfd en begint aan een nieuwe lactatieperiode, ook wel ‘verse koe’ of ‘nieuwmelkse koe’ genoemd.

Verspuiten: het in betrekkelijk grote druppels op of over het gewas verdelen van in veel water opgelost bestrijdingsmiddel.

Vers vlees: Vers vlees wordt als term gebruikt voor vlees dat niet is gekookt.

Verticale resistentie: fysio specifieke resistentie, resistentie berustend op genen in de waardplant die corresponderen met gen-specifieke agressiviteit van de ziekteverwekker (gen-om-gen-relatie).

Verwerpen: Als een dier ‘verwerpt’ betekent dit dat zij een miskraam krijgt in het vroegste stadium van de dracht. Verwerpen gebeurt vaak in de periode dat de eitjes van bijvoorbeeld een zeug, of een koe net bezig zijn in te nestelen. Deze periode is altijd een risicovolle periode. Als zeugen na het insemineren weer los gaan lopen in de dragende zeugenstal, kan het gebeuren dat daar rangordegevechten zijn. Dit in combinatie met gierende zwangersschapshormonen en daardoor stress, kan bij een zeug leiden tot verwerpen.

V-haag: Bij een V-haag wordt uitgegaan van 4 opgaande gesteltakken (de zwaardere hoofdtakken die om de harttak staan en de vorm van de boom bepalen) die met draden en stokken stabiel gehouden worden. Met dit systeem creëer je een betere lichtinval op je appels en peren.

Vierdagen-eis: Een eis van de Nederlandse overheid om zeugen vier dagen na inseminatie weer los te laten lopen tussen andere drachtige zeugen in de groepshuisvesting. De Nederlandse eis is een strengere regel dan in andere EU-landen. Daar is gaan geïnsemineerde zeugen namelijk pas na 28 dagen terug in de vrijloopgroep. De Nederlandse overheid vindt dat het dierenwelzijn is gebaat bij zo snel mogelijke terugplaatsing in de groep. Voor de Nederlandse varkenshouder leidt deze zogenoemde ‘4-dageneis’ wel tot een kostenverhoging van omgerekend 30 cent per big (= 0,3 cent per kilo varkensvlees), ten opzichte van zijn Europese collega’s.
Een mogelijk effect van de 4-dageneis op de productiviteit van zeugen is niet meegerekend. Het vroeg terugplaatsen van zeugen in de groep kan leiden tot stress en vechtgedrag tussen de jonge en net geïnsemineerde zeugen en de zeugen die al verder zijn in hun dracht. Deze stress leidt regelmatig tot ‘verwerpen’ (miskramen) bij de pas drachtige zeugen. Dit betekent, behalve verminderd dierenwelzijn, inkomensverlies voor de varkenshouder omdat de zeug geen biggen krijgt en opnieuw geïnsemineerd zal moeten worden. Europa stelt 28 dagen als eis omdat de zeug dan de eerste 4 weken van de zwangerschap rust kan hebben.

Viroïde: infectieus organisme dat slechts uit enkelstrengig RNA bestaat; de hoeveelheid genetische informatie is te gering om voor een eiwit te coderen.

Virose: een door virussen veroorzaakte ziekte

Virulent: in staat ernstige ziekteverschijnselen te verwekken.

Virulentie: hevigheid waarmee een ziekteverwekker in een gastheer ziekteverschijnselen kan veroorzaken.

Virus: niet voor het oog zichtbare verwekker van besmettelijke ziekten, die door het ontbreken van een eigen stofwisseling slechts in staat is om in levende waardcellen tot vermeerdering te ko- men.

Vleeskuikens: Kippen die opgroeien tot vleeskippen. Een vleeskuiken legt geen eieren. In een stal met vleeskuikens wonen zowel hanen als hennen. Dit in tegenstelling tot een leghennenhouderij. Daar leven alleen vrouwtjes. Alleen vrouwtjeskippen kunnen eieren leggen. De hanen en hennen in een vleeskuikenstal kunnen elkaar niet bevruchten, omdat zij op de slachtleeftijd nog niet vruchtbaar zijn.

Voerconversie: Voerconversie is het aantal kilo’s voer dat nodig is voor 1 kilo vleesaanzet.

Voergift: Het verstrekken, al dan niet machinaal, van voer aan vee.

Vruchtlichaarn: plaats waarin bij schimmels sporen worden gevormd. Paddenstoelen zijn hele grote vruchtlichamen.

Vruchtwisseling: Niet elk jaar op dezelfde bodem gewassen telen, maar afwisselen met andere gewassen. Zo wordt voorkomen dat de bodem uitgeput raakt. 

Vulstof: bij een spuitpoeder de poedervormige verdunningsstof waarin of waarop de werkzame stof aanwezig is.

W

Waardplant: plant waarop een parasiet groeit en zich kan vermeerderen.

Warmtewisselaar: Een warmtewisselaar is een apparaat dat warmte van een vloeistof en/of gas gescheiden overbrengt naar een ander. Via de toepassing van een warmtewisselaar kan worden bespaard op ruimteverwarming door aan de lucht uit een gebouw warmte te onttrekken en daarmee de binnenstromende verse lucht te voorverwarmen. Dit proces wordt warmteterugwinning genoemd.

Wei (zuivel): Wei is de vloeistof die bij de kaasbereiding ontstaat door het stremmen van de melk na toevoeging van stremsel. De vaste bestanddelen, de wrongel, blijven over nadat de wei is afgetapt. Wei bevat nog veel stoffen uit de melk. Dit zijn vitamines (vooral uit de B-groep), wei-eiwit, melksuiker en mineralen. Wei bevat nauwelijks vet.

Weidegang: Weidegang of ook wel beweiding is het begrip dat in Nederland gebruikt wordt voor het laten begrazen door koeien van graslanden in de melkveehouderij. Gras is het belangrijkste onderdeel van het menu van de koe.

Weidemelk: Melk van koeien die minimaal 120 dagen per jaar, 6 uur per dag hebben buiten gelopen in de wei.

Wei (land): Een stuk grasland waar vee buiten kan lopen en/of gras kan grazen.

Werkingsschema: manier waarop een stof zijn werking uitvoert.

Werkzame stof: dat bestanddeel van een bestrijdingsmiddel dat verantwoordelijk is voor de werking.

Werkingsspectrum: soort en aantal schadeveroorzakers waartegen een bepaald gewasbeschermingsmiddel werkt

Werpen: Werpen wordt als vakterm gebruikt in de varkenshouderij. Een zeug bevalt niet, maar werpt. Zoals ook een hond werpt en niet bevalt.

Werpweek: Een week waarin, in de varkenshouderij, biggen geboren gaan worden.

Weken-systeem: Een weken-systeem kan in een varkenshouderij 3, 4 of 5 weken zijn. In bijvoorbeeld een 5-wekensysteem, zijn er 5 weekgroepen in 1 groep gesynchroniseerd. Hierdoor heeft een varkenshouder altijd een andere activiteit. Zo is er bijvoorbeeld een inseminatieweek (als de zeugen worden geïnsemineerd om drachtig te worden, of een werpweek. Dan is de boer de hele week druk met de verzorging van de pasgeboren biggen en de kraamzorg voor de zeugen. Voordeel van zo’n systeem is gezondheid. Alle biggen hebben dezelfde leeftijd zodat er geen eventuele ziektes van oudere biggen naar jongere kunnen gaan.

Wiersen: In lange banen leggen van het gedroogde gras. (zie ook ‘schudden’)

Wingssprayer: Een Wingssprayer is een spuitmachine voor gewasbeschermingsmiddelen die een fijne nevel direct in het gewas spuit. Hierdoor rollen er geen druppels van het blad. Daarnaast voorkomt deze methode dat druppels wegstuiven aan de achterkant van een spuitmachine. Hierdoor zijn minder middelen nodig voor hetzelfde resultaat

Wissel werking: onderlinge beïnvloeding van twee organismen in positieve zin (= synergisme) of in negatieve zin (= antagonisme).

Woekering, proliferatie: min of meer ongeremde vermeerdering van cellen, van weefsels of van organen ten koste van omringende cellen, weefsels of organen.

Wondparasiet: gelegenheidsparasiet die slechts in staat is om via op andere wijze ontstane wonden individuen (planten of dieren) aan te tasten.

Z

Zavelgrond: Zavelgrond is een grondsoort die in Nederland voorkomt. Het is een mengeling van voornamelijk zandgrond en kleigrond(8 tot 25 procent). De grondsoort is meestal vruchtbaar, vochthoudend, goed te bewerken en bewortelbaar.

Zeug: Vrouwtjesvarken dat minimaal één keer biggen heeft geworpen

Zeugenkaart: Een kaart in de kraamstal van een zeug waarop de boer de gegevens bijhoudt van de zeugen en biggen, bijvoorbeeld groei.

Ziektebeeld: het voor een bepaalde ziekte karakteristieke complex van symptomen.

Zoekbeer: Een mannetjesvarken dat in de varkenshouderij wordt gebruikt om berige zeugen op te zoeken, zodat de boer weet dat die zeug geïnsemineerd kan worden (zie ook ‘berig’ en ‘inseminatie’).

Zwakteparasiet: parasiet die slechts in staat is om planten of dieren aan te tasten nadat deze door andere ziekteverwekkers of anderszins zijn verzwakt.

bbb_logo_2022

Deel dit artikel

Meer nieuws

dec 2 2022

Alle ballen op BBB!

BBB maakt kerst 2022 onvergetelijk! Nog enkele weken en dan vieren we samen het kerstfeest. 2022 was een ...

nov 30 2022

Regio verdient meer aandacht bij OV, spoor en wegen!

Maandag 28 november was het debat over het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT). Het MIRT gaat over ...

nov 25 2022

Geen stap verder met stikstofplannen

Kamerbrief Toekomst Landbouw Water en Bodem sturend Voortgang integrale aanpak landelijk gebied en opvolging uitspraak Raad van State ...